1. De aanvraag voor een vergunning, bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van het besluit moet worden gedaan door inzending of afgifte aan het Districtshoofd van het districtskantoor van de Plantenziektenkundige Dienst in wiens werkgebied het perceel of perceelsgedeelte waarop de aanvraag voor de vergunning betrekking heeft, is gelegen, van de volgende gegevens:
a. een volledig en naar waarheid ingevuld daartoe door het Districtshoofd vastgesteld aanvraagformulier, op het Districtskantoor te verkrijgen;
b. een op kaart op schaal (maximaal 1:5000) weergegeven aanduiding van het perceel of perceelsgedeelte met maten vanuit een vast punt gemeten;
c. indien de aanvraag voor een vergunning een teelt betreft als genoemd in artikel 3 of 4, een kopie van het beschrijvingsbiljet 2000;
d. indien de aanvraag voor een vergunning ter bestrijding van het onkruid knolcyperus wordt ingediend, een verklaring of andere bescheiden waarmee ten genoegen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangetoond wordt dat het onkruid knolcyperus op het perceel of perceelsgedeelte aanwezig is en voor zover van toepassing;
e. voor de teelt van prei-, kool- en aspergeplanten een bewijs van aansluiting bij de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw;
f. voor de teelt van vaste planten in de volle grond een bewijs van aansluiting bij de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw;
g. voor aardbei een bewijs van aansluiting bij de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw.
2. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken na ontvangst van een volledige aanvraag, als bedoeld in het eerste lid.