BWBR0005949
Geldig vanaf 1993-05-01
Artikel 5
Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen
1. Indien aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit is voldaan, verleent Onze Minister op aanvraag van de gebruiksgerechtigde ten behoeve van zijn perceel of perceelsgedeelte betreffende een grondontsmettingsmiddel een vergunning alsmede een gewaarmerkte kopie daarvan.
2. Tot 1 januari 2001 kan slechts éénmaal in een periode van vier kalenderjaren en vanaf 1 januari 2001 éénmaal in een periode van vijf kalenderjaren ten behoeve van hetzelfde perceel of perceelsgedeelte een vergunning alsmede een gewaarmerkte kopie daarvan worden verleend.
3. De periodes van vier kalenderjaren beginnen op 1 mei 1993 onderscheidenlijk 1 januari 1997 en eindigen op 31 december 1996 onderscheidenlijk 31 december 2000. De eerste periode van vijf kalenderjaren begint op 1 januari 2001. De periodes van vijf kalenderjaren beginnen en eindigen telkens op 1 januari onderscheidenlijk 31 december.
4. Indien de gebruiksgerechtigde een grondontsmettingsmiddel waarvoor een vergunning is verleend, niet heeft gebruikt en die vergunning alsmede de gewaarmerkte kopie binnen één maand na afloop van de geldigheidsduur daarvan aan Onze Minister terug stuurt, wordt in afwijking van het tweede lid, op aanvraag in dezelfde periode, bedoeld in het tweede lid, opnieuw ten behoeve van hetzelfde perceel of perceelsgedeelte een vergunning alsmede de gewaarmerkte kopie verleend.
5. Indien de gebruiksgerechtigde in het laatste jaar van een periode als bedoeld in het tweede lid, een grondontsmettingsmiddel waarvoor een vergunning in dat jaar is verleend, niet heeft gebruikt en die vergunning alsmede de gewaarmerkte kopie binnen één maand na afloop van de geldigheidsduur daarvan aan Onze Minister terug stuurt, wordt, in afwijking van het tweede lid, op aanvraag in het eerste jaar van de daaropvolgende periode een vergunning alsmede de gewaarmerkte kopie voor hetzelfde perceel of perceelsgedeelte verleend, waarbij in laatst bedoelde periode alsnog het recht op een vergunning voor hetzelfde perceel of perceelsgedeelte blijft behouden.
2. Tot 1 januari 2001 kan slechts éénmaal in een periode van vier kalenderjaren en vanaf 1 januari 2001 éénmaal in een periode van vijf kalenderjaren ten behoeve van hetzelfde perceel of perceelsgedeelte een vergunning alsmede een gewaarmerkte kopie daarvan worden verleend.
3. De periodes van vier kalenderjaren beginnen op 1 mei 1993 onderscheidenlijk 1 januari 1997 en eindigen op 31 december 1996 onderscheidenlijk 31 december 2000. De eerste periode van vijf kalenderjaren begint op 1 januari 2001. De periodes van vijf kalenderjaren beginnen en eindigen telkens op 1 januari onderscheidenlijk 31 december.
4. Indien de gebruiksgerechtigde een grondontsmettingsmiddel waarvoor een vergunning is verleend, niet heeft gebruikt en die vergunning alsmede de gewaarmerkte kopie binnen één maand na afloop van de geldigheidsduur daarvan aan Onze Minister terug stuurt, wordt in afwijking van het tweede lid, op aanvraag in dezelfde periode, bedoeld in het tweede lid, opnieuw ten behoeve van hetzelfde perceel of perceelsgedeelte een vergunning alsmede de gewaarmerkte kopie verleend.
5. Indien de gebruiksgerechtigde in het laatste jaar van een periode als bedoeld in het tweede lid, een grondontsmettingsmiddel waarvoor een vergunning in dat jaar is verleend, niet heeft gebruikt en die vergunning alsmede de gewaarmerkte kopie binnen één maand na afloop van de geldigheidsduur daarvan aan Onze Minister terug stuurt, wordt, in afwijking van het tweede lid, op aanvraag in het eerste jaar van de daaropvolgende periode een vergunning alsmede de gewaarmerkte kopie voor hetzelfde perceel of perceelsgedeelte verleend, waarbij in laatst bedoelde periode alsnog het recht op een vergunning voor hetzelfde perceel of perceelsgedeelte blijft behouden.