BWBR0005918
Geldig vanaf 1993-04-01
Artikel 7
Besluit uitkeringen regioprogramma's Zuid-Limburg 1993/94
1. Onze Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
2. Onze Minister geeft geen beschikking, indien een toewijzende beslissing op een aanvraag tot gevolg kan hebben, dat op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, afwijzend moet worden beslist op een andere aanvraag, die eerder voldeed aan de wettelijke voorschriften, totdat op die eerdere aanvraag is beslist.
3. Onze Minister geeft geen beschikking, indien een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend, totdat op dat verzoek is beslist dan wel, indien surséance van betaling is verleend, totdat vier weken na de beëindiging van de surséance van betaling zijn verstreken. Gedurende deze periode worden de termijnen, bedoeld in het eerste lid, opgeschort.
2. Onze Minister geeft geen beschikking, indien een toewijzende beslissing op een aanvraag tot gevolg kan hebben, dat op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, afwijzend moet worden beslist op een andere aanvraag, die eerder voldeed aan de wettelijke voorschriften, totdat op die eerdere aanvraag is beslist.
3. Onze Minister geeft geen beschikking, indien een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van de aanvrager bij de rechtbank is ingediend, totdat op dat verzoek is beslist dan wel, indien surséance van betaling is verleend, totdat vier weken na de beëindiging van de surséance van betaling zijn verstreken. Gedurende deze periode worden de termijnen, bedoeld in het eerste lid, opgeschort.