1. Het verbod, gesteld in artikel 2, eerste lid, is niet van toepassing op de in- en doorvoer van:
a. vleesproducten van pluimvee afkomstig uit een lid-staat of Noorwegen, die voldoen aan de artikelen 3 en 4 van richtlijn 77/99/EEG en ten bewijze daarvan vergezeld gaan van een handelsdocument, bedoeld in artikel 3, onderdeel A, onder 9, van richtlijn 77/99/EEG, mits wordt voldaan aan de artikelen 4 tot en met 7;
b. vleesproducten van pluimvee afkomstig uit een derde land of gedeelte van een derde land niet zijnde Noorwegen, mits wordt voldaan aan verordening 136/2004/EG en de artikelen 8 tot en met 14, die: 1º afkomstig zijn uit een derde land of gedeelde van een derde land dat voor de betrokken diersoort waarvan het vlees afkomstig is, staat vermeld op de lijst, opgenomen in de bijlagen I en II van beschikking 97/222/EEG;
2º vergezeld gaan een gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model, vastgesteld in de bijlage bij beschikking 97/221/EG, en voldoet aan de voorwaarden en eisen die in voornoemde beschikking en in vorenbedoeld certificaat zijn opgenomen;
3º voorts vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model, vastgesteld in de bijlage bij beschikking 97/41/EG, en voldoet aan de voorwaarden en eisen die in voornoemde beschikking en in vorenbedoeld certificaat zijn opgenomen;
4º afkomstig zijn uit een inrichting die, zodra deze is vastgesteld en in werking getreden, voorkomt op de voor de betrokken vleesproducten uit het betrokken land van herkomst geldende voorlopige lijst van inrichtingen als bedoeld in beschikking 95/408/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1995 tot vaststelling van voorschriften voor het opstellen voor een overgangsperiode van voorlopige lijsten van inrichtingen in derde landen waaruit de lid-staten bepaalde producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten en levende tweekleppige weekdieren mogen invoeren (PbEG L 243), die alsdan ter inzage ligt in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in Den Haag, met dien verstande dat indien bij de vaststelling van voornoemde lijst is voorzien in overgangsbepalingen de vleesproducten met inachtneming van die bepalingen afkomstig mogen zijn uit een inrichting die voldoet aan de voorschriften van hoofdstuk 1 van bijlage II van richtlijn 92/118/EEG, en
5º niet afkomstig zijn van pluimvee waaraan stoffen of producten zijn toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van richtlijn 96/22/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 april 1996 betreffende het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PbEG L 125), niet aan pluimvee mogen worden toegediend, tenzij aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn is voldaan.
1º afkomstig zijn uit een derde land of gedeelde van een derde land dat voor de betrokken diersoort waarvan het vlees afkomstig is, staat vermeld op de lijst, opgenomen in de bijlagen I en II van beschikking 97/222/EEG;
2º vergezeld gaan een gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model, vastgesteld in de bijlage bij beschikking 97/221/EG, en voldoet aan de voorwaarden en eisen die in voornoemde beschikking en in vorenbedoeld certificaat zijn opgenomen;
3º voorts vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model, vastgesteld in de bijlage bij beschikking 97/41/EG, en voldoet aan de voorwaarden en eisen die in voornoemde beschikking en in vorenbedoeld certificaat zijn opgenomen;
4º afkomstig zijn uit een inrichting die, zodra deze is vastgesteld en in werking getreden, voorkomt op de voor de betrokken vleesproducten uit het betrokken land van herkomst geldende voorlopige lijst van inrichtingen als bedoeld in beschikking 95/408/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1995 tot vaststelling van voorschriften voor het opstellen voor een overgangsperiode van voorlopige lijsten van inrichtingen in derde landen waaruit de lid-staten bepaalde producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten en levende tweekleppige weekdieren mogen invoeren (PbEG L 243), die alsdan ter inzage ligt in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in Den Haag, met dien verstande dat indien bij de vaststelling van voornoemde lijst is voorzien in overgangsbepalingen de vleesproducten met inachtneming van die bepalingen afkomstig mogen zijn uit een inrichting die voldoet aan de voorschriften van hoofdstuk 1 van bijlage II van richtlijn 92/118/EEG, en
5º niet afkomstig zijn van pluimvee waaraan stoffen of producten zijn toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van richtlijn 96/22/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 april 1996 betreffende het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PbEG L 125), niet aan pluimvee mogen worden toegediend, tenzij aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn is voldaan.
2. Het verbod, gesteld in artikel 2, eerste lid, is niet van toepassing op:
a. de in- en doorvoer van andere producten van dierlijke oorsprong, afkomstig van pluimvee alsmede van oorsprong en herkomst uit een lid-staat of Noorwegen, die voldoen aan het bepaalde in artikel 6 van richtlijn 77/99/EEG en ten bewijze daarvan vergezeld gaan van het handelsdocument, bedoeld in artikel 6, eerste lid, vierde gedachtenstreepje van die richtlijn, mits wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 7;
b. de in- en doorvoer van andere producten van dierlijke oorsprong, afkomstig van pluimvee, alsmede van oorsprong en herkomst uit een derde land of gedeelte van een derde land als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1, die voldoen aan, voor zover van toepassing, artikel 6 van richtlijn 77/99/EEG en ten bewijze daarvan vergezeld gaan van een certificaat dat is opgesteld in de Nederlandse, Franse, Engelse of Duitse taal, dat uit één vel bestaat en dat is ingericht overeenkomstig een door de Minister vastgesteld model, mits wordt voldaan aan verordening 136/2004/EG en de artikelen 8 tot en met 14.
3. Zolang de voorschriften voor het vanuit derde landen op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van pluimveeproducten niet of slechts gedeeltelijk ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn vastgesteld, is, indien deze producten zijn bestemd voor een lid-staat, tevens voldaan aan de voorschriften die door de lid-staat van bestemming ter zake van de invoer van die producten worden gesteld.
4. In afwijking van hetgeen in dit artikel is bepaald ten aanzien van de voor de vleesproducten of andere producten van dierlijke oorsprong uit derde landen voorgeschreven gezondheidscertificaten, mag een partij afkomstig uit Nieuw- Zeeland eveneens vergezeld gaan van een op de partij betrekking hebbend(e):
a. dier- en volksgezondheidscertificaat zoals dat op 31 december 1996 voor het betrokken product was voorgeschreven, of
b. met ingang van de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst van 17 december 1996 tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten (PbEG 1997, L 57), een gezondheidscertificaat zoals dat ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap ter uitvoering van die Overeenkomst is vastgesteld en dat een verklaring als bedoeld in bijlage VII van die Overeenkomst bevat, met dien verstande dat zolang de voorschriften voor vleesproducten van pluimvee niet, dan wel enkel op het gebied van de volks- of diergezondheid als gelijkwaardig zijn erkend, een dier- en, onderscheidenlijk of, volksgezondheidscertificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1 en 2, is bijgevoegd.
5. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel a, en het tweede lid, aanhef en onderdeel a, is het verbod, gesteld in artikel 2, eerste lid, tot en met 30 april 2005 evenmin van toepassing op de in- en doorvoer van vleesproducten van pluimvee, onderscheidenlijk andere producten van dierlijke oorsprong, afkomstig van pluimvee, die:
a. afkomstig zijn uit Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië of Slowakije;
b. vóór 1 mei 2004 zijn verkregen in een inrichting die erkend was voor uitvoer naar de Europese Gemeenschap, en
c. voorzien zijn van het keurmerk, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van beschikking 2004/280/EG,
mits het certificaat of document dat de producten vergezelt, door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst is voorzien van de verklaring: ‘Vóór 1 mei 2004 geproduceerd overeenkomstig Beschikking 2004/280/EG van de Commissie.’