1. Een voorschot als bedoeld in de artikelen
138, lid 10, en
248, lid 10, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekgeschiedt in de vorm van een garantstelling ten behoeve van een door de curator bij een bankinstelling speciaal daartoe te openen rekening-courant.
2. De garantstelling wordt gegeven tot een bedrag, nodig voor het instellen van een rechtsvordering of voor het onderzoek naar de mogelijkheid daartoe. Onder het bedrag is begrepen een vergoeding voor de door de verzoeker aan de zaak te besteden tijd en voor zijn verschotten waaronder de proceskosten waarin hij mogelijk jegens de wederpartij wordt veroordeeld.
3. De vaststelling van de garantstelling geschiedt overeenkomstig de Richtlijn voor de vaststelling van salarissen en verschotten van curatoren in faillissementen en bewindvoerders in (voorlopige) surséances van betaling (welke laatstelijk is gepubliceerd als bijlage bij het Advocatenblad van 28 september 1990 no. 17, althans zoals deze geldt ten tijde van toepassing van de regeling).
4. In verband met de berekening van de garantstelling kunnen nadere gegevens of bewijsstukken van de verzoeker worden verlangd.