BWBR0005687
Geldig vanaf 1992-11-05
Artikel 6
Besluit collectieve preventie volksgezondheid
1. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 5.
2. Ontheffingen verleend op grond van de Stimuleringsregeling Basisgezondheidsdiensten van 1 juli 1985 (kenmerk DGVgz/AGZ/BGZ nr. 34320), de richtlijnen subsidiëring geneeskundig schooltoezicht van 3 mei 1962 (kenmerk VGZ afdeling preventieve gezondheidszorg nr. 20270, zoals nadien gewijzigd), de regeling Aanstelling Mondhygiënisten van 22 december 1986 (DGVgz/AGZ/BGZ nr. 86232), de Interim-rijksregeling subsidiëring niet-curatieve geslachtsziektenbestrijding gemeenten ( Stcrt.1981, 202) en de Overbruggingsregeling bekostiging collectieve preventie volksgezondheid ( Stcrt.1991, 51) worden aangemerkt als een ontheffing verleend met toepassing van het eerste lid van dit artikel.
3. Voor een arts aangesteld op grond van de in het tweede lid genoemde richtlijnen subsidiëring geneeskundig schooltoezicht behoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.
2. Ontheffingen verleend op grond van de Stimuleringsregeling Basisgezondheidsdiensten van 1 juli 1985 (kenmerk DGVgz/AGZ/BGZ nr. 34320), de richtlijnen subsidiëring geneeskundig schooltoezicht van 3 mei 1962 (kenmerk VGZ afdeling preventieve gezondheidszorg nr. 20270, zoals nadien gewijzigd), de regeling Aanstelling Mondhygiënisten van 22 december 1986 (DGVgz/AGZ/BGZ nr. 86232), de Interim-rijksregeling subsidiëring niet-curatieve geslachtsziektenbestrijding gemeenten ( Stcrt.1981, 202) en de Overbruggingsregeling bekostiging collectieve preventie volksgezondheid ( Stcrt.1991, 51) worden aangemerkt als een ontheffing verleend met toepassing van het eerste lid van dit artikel.
3. Voor een arts aangesteld op grond van de in het tweede lid genoemde richtlijnen subsidiëring geneeskundig schooltoezicht behoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.