BWBR0005638
Geldig vanaf 1992-09-26
Artikel 3
Warenwetbesluit Werkwijze Adviescommissie Warenwet
1. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, leden ontslaan op eigen verzoek, dan wel op verzoek van de in artikel 24, zesde lid, van de Warenwetbedoelde organisaties op wier aanbeveling de desbetreffende leden zijn benoemd.
2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, leden ontslaan die niet zijn voorgedragen door een organisatie als bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de Warenwet, indien hiertoe zeer gewichtige redenen bestaan.
3. Onze Minister kan, indien er gewichtige redenen bestaan, op aanbeveling van de commissie een lid voor ten hoogste zes maanden schorsen. Indien dit een lid betreft dat is voorgedragen door een in artikel 24, zesde lid, van de Warenwetbedoelde organisatie, vindt een zodanige schorsing niet plaats alvorens de organisatie op wiens aanbeveling het desbetreffende lid is benoemd, is gehoord.
4. Indien binnen de op grond van het derde lid voor de schorsing vastgestelde termijn de organisatie op wiens aanbeveling het geschorste lid was benoemd, geen verzoek aan Onze Minister heeft ingediend om het desbetreffende lid te ontslaan, eindigt de schorsing onmiddellijk na afloop van die termijn.
2. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, leden ontslaan die niet zijn voorgedragen door een organisatie als bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de Warenwet, indien hiertoe zeer gewichtige redenen bestaan.
3. Onze Minister kan, indien er gewichtige redenen bestaan, op aanbeveling van de commissie een lid voor ten hoogste zes maanden schorsen. Indien dit een lid betreft dat is voorgedragen door een in artikel 24, zesde lid, van de Warenwetbedoelde organisatie, vindt een zodanige schorsing niet plaats alvorens de organisatie op wiens aanbeveling het desbetreffende lid is benoemd, is gehoord.
4. Indien binnen de op grond van het derde lid voor de schorsing vastgestelde termijn de organisatie op wiens aanbeveling het geschorste lid was benoemd, geen verzoek aan Onze Minister heeft ingediend om het desbetreffende lid te ontslaan, eindigt de schorsing onmiddellijk na afloop van die termijn.