BWBR0005601
Geldig vanaf 1992-07-30
Artikel 8
Besluit Commissie van wijze vrouwen en mannen
1. Over de door de commissie voor te dragen kandidaten zullen de leden van de raad worden gehoord. In afwijking hiervan zullen voor de eerste maal de beoogde voorzitter van de raad alsmede de leden van de Voorlopige raad voor het ouderenbeleid worden gehoord.
2. Het besluit tot voordracht van de commissie wordt genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. De stemming geschiedt schriftelijk. Mocht bij eerste stemming geen volstrekte meerderheid worden verkregen dan zal een nieuwe stemming plaats hebben. Indien ook dan geen volstrekte meerderheid wordt verkregen, beslist het lot.
3. De voordracht van de commissie wordt schriftelijk en met redenen omkleed uitgebracht aan de minister, ondertekend door de voorzitter en de overige leden van de commissie.
4. In haar voordracht streeft de commissie naar het bereiken van een zo groot mogelijke deskundigheid op één of meer terreinen van het ouderenbeleid, politieke en bestuurlijke ervaring, een bepaalde verdienste op één of meer terreinen van het ouderenbeleid in een aaneengesloten periode alsmede naar een evenwichtige verdeling van vrouwen en mannen, een zodanige spreiding van leden over het gehele land en in het algemeen naar een zodanige geschakeerdheid van samenstelling als voor een goed functioneren van de raad wenselijk wordt geacht. Bij de selectie van de leden van de Voorlopige raad voor het ouderenbeleid die overgaan naar de raad, wordt ernaar gestreefd de deskundigheid op de terreinen inkomen, huisvesting en zorg te handhaven.
5. De commissie houdt de stukken, die op de voorbereiding van de voordracht betrekking hebben, ter beschikking van de minister.
6. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschied: met inachtneming van artikel 9, vierde lid, van het Besluit algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie (Stb. 1980, 182).
2. Het besluit tot voordracht van de commissie wordt genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. De stemming geschiedt schriftelijk. Mocht bij eerste stemming geen volstrekte meerderheid worden verkregen dan zal een nieuwe stemming plaats hebben. Indien ook dan geen volstrekte meerderheid wordt verkregen, beslist het lot.
3. De voordracht van de commissie wordt schriftelijk en met redenen omkleed uitgebracht aan de minister, ondertekend door de voorzitter en de overige leden van de commissie.
4. In haar voordracht streeft de commissie naar het bereiken van een zo groot mogelijke deskundigheid op één of meer terreinen van het ouderenbeleid, politieke en bestuurlijke ervaring, een bepaalde verdienste op één of meer terreinen van het ouderenbeleid in een aaneengesloten periode alsmede naar een evenwichtige verdeling van vrouwen en mannen, een zodanige spreiding van leden over het gehele land en in het algemeen naar een zodanige geschakeerdheid van samenstelling als voor een goed functioneren van de raad wenselijk wordt geacht. Bij de selectie van de leden van de Voorlopige raad voor het ouderenbeleid die overgaan naar de raad, wordt ernaar gestreefd de deskundigheid op de terreinen inkomen, huisvesting en zorg te handhaven.
5. De commissie houdt de stukken, die op de voorbereiding van de voordracht betrekking hebben, ter beschikking van de minister.
6. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschied: met inachtneming van artikel 9, vierde lid, van het Besluit algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie (Stb. 1980, 182).