BWBR0005580
Geldig vanaf 1992-07-31
Artikel VIII
Wijzigingswet Wet toezicht verzekeringsbedrijf (verzelfstandiging van de Verzekeringskamer)
1. Ieder personeelslid dat op de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2 a, hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, in dienst is bij de Verzekeringskamer heeft het recht bij de krachtens artikel 2 aaangewezen rechtspersoon in dienst te treden op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande op die datum. Dit recht kan, tenzij op die datum bij Onze Minister van Financiën bezwaren tegen de arbeidsovereenkomst als zodanig zijn ingediend, niet na die datum worden uitgeoefend.
2. Ten aanzien van de personeelsleden die waren aangesteld in vaste dienst dan wel voor onbepaalde tijd op arbeidsovereenkomst werkzaam waren, en die gebruik maken van het in het eerste lid bedoelde recht bij de aangewezen rechtspersoon in dienst te treden op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, geldt deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tenzij het bepaalde in artikel 2 d, eerste lid, van toepassing is.
3. Ten aanzien van de personeelsleden die waren aangesteld voor een bepaalde tijd of op arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd werkzaam waren, en die gebruik maken van het in het eerste lid bedoelde recht bij de aangewezen rechtspersoon in dienst te treden op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, geldt deze arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de tijdelijke dienst of arbeidsovereenkomst.
4. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk in dienst bij de Verzekeringskamer vervulde, dan wel die voor hem passend mag worden geacht.
5. De arbeidsvoorwaarden zullen in hun geheel ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij de Verzekeringskamer.
6. De aangewezen rechtspersoon is gehouden de arbeidsovereenkomst aan te gaan zonder nadere selectie of keuring.
7. Ieder personeelslid is met ingang van de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2 a, van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van het Ministerie van Financiën.
8. Indien Onze Minister van Financiën op de in het eerste lid bedoelde bezwaren heeft beslist, kan het personeelslid binnen een maand na de kennisgeving van die beslissing alsnog zijn recht uitoefenen. Onze Minister van Financiën kan de aangewezen rechtspersoon verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden waarvan de inhoud aan dit artikel voldoet.
9. Onze Minister van Financiën kan nadere regels stellen omtrent het bepaalde in dit artikel.
2. Ten aanzien van de personeelsleden die waren aangesteld in vaste dienst dan wel voor onbepaalde tijd op arbeidsovereenkomst werkzaam waren, en die gebruik maken van het in het eerste lid bedoelde recht bij de aangewezen rechtspersoon in dienst te treden op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, geldt deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tenzij het bepaalde in artikel 2 d, eerste lid, van toepassing is.
3. Ten aanzien van de personeelsleden die waren aangesteld voor een bepaalde tijd of op arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd werkzaam waren, en die gebruik maken van het in het eerste lid bedoelde recht bij de aangewezen rechtspersoon in dienst te treden op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, geldt deze arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de tijdelijke dienst of arbeidsovereenkomst.
4. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk in dienst bij de Verzekeringskamer vervulde, dan wel die voor hem passend mag worden geacht.
5. De arbeidsvoorwaarden zullen in hun geheel ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij de Verzekeringskamer.
6. De aangewezen rechtspersoon is gehouden de arbeidsovereenkomst aan te gaan zonder nadere selectie of keuring.
7. Ieder personeelslid is met ingang van de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2 a, van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van het Ministerie van Financiën.
8. Indien Onze Minister van Financiën op de in het eerste lid bedoelde bezwaren heeft beslist, kan het personeelslid binnen een maand na de kennisgeving van die beslissing alsnog zijn recht uitoefenen. Onze Minister van Financiën kan de aangewezen rechtspersoon verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden waarvan de inhoud aan dit artikel voldoet.
9. Onze Minister van Financiën kan nadere regels stellen omtrent het bepaalde in dit artikel.