BWBR0005580
Geldig vanaf 1992-07-31
Artikel IX
Wijzigingswet Wet toezicht verzekeringsbedrijf (verzelfstandiging van de Verzekeringskamer)
1. Met ingang van de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2 a, verkrijgen de in artikel VIII, tweede en derde lid, bedoelde personeelsleden jegens de aangewezen instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, aanspraken die in totaliteit gelijkwaardig zijn aan die, welke deze personeelsleden op bedoelde datum krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet ( Stb.1986, 540) hebben.
2. a. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds verstrekt aan een personeelslid als bedoeld in het eerste lid een schriftelijke opgave van de uit hoofde van zijn ambtenaarschap opgebouwde aanspraken ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet en van de desbetreffende wiskundige reserve. Het desbetreffende personeelslid dient binnen twee maanden aan het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds schriftelijk kenbaar te maken of hij met deze opgave instemt. Artikel N 15, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.
b. Het personeelslid heeft eveneens ingestemd met de opgave, indien hij het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds niet binnen twee maanden de schriftelijke kennisgeving als bedoeld onder a heeft doen toekomen.
c. De vaststelling door het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds van de uit hoofde van het ambtenaarschap opgebouwde aanspraken na de kennisgeving door het desbetreffende personeelslid als bedoeld onder a of na de periode van twee maanden als bedoeld onder b, is een beslissing als bedoeld in artikel S 1, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet. De artikelen S 1, S 2 en, tot de datum van feitelijke waarde-overdracht, S 3 van die wet zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De aanspraken die de personeelsleden op wie het eerste lid van toepassing is, toekomen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, met uitzondering van de aanspraken die voor de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2 a, geldend zijn gemaakt of geldend gemaakt hadden kunnen worden, vervallen op die datum, evenals de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens die personeelsleden.
4. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt aan de in het eerste lid bedoelde instelling een deel van het vermogen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over. De overdrachtssom wordt bepaald op basis van de aanspraken op ouderdomspensioen die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn opgebouwd tot en met de dag voorafgaande aan de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2 a. In de totale overdrachtssom is voorts ten minste een aan bedoelde aanspraken evenredig aandeel in de voorziening voor nabestaandenpensioenen en in de algemene reserve begrepen, een en ander volgens een door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds op te stellen opgebouwde aanspraken-balans. Het over te dragen vermogen heeft hetzelfde rendementspotentieel als het bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds achterblijvende vermogen.
5. Ten behoeve van de berekening van het effect voor het Algemeen burgerlijk pensioenfonds van het vervallen van de verplichtingen jegens de uitgetreden personeelsleden krachtens het derde lid en van de waarde-overdracht krachtens het vierde lid, maakt het Algemeen burgerlijk pensioenfonds een berekening van de waarde-overdracht indien deze gebaseerd zou zijn op lasten-min-baten. Hiertoe wordt voor de dag voorafgaande aan de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2 a, een evenwichtige lasten-en-batenbalans opgesteld voor deze groep personeelsleden. Als basisbijdragepercentage wordt op deze balans ingezet het percentage dat in de toekomst nodig is om de nog op te bouwen rechten van gerechtigden op pensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet juist te dekken zonder rekening te houden met toekomstige inflatie. Als inhaalbijdragepercentage wordt het percentage gebruikt dat nodig is om de lasten-en-batenbalans van het fonds in evenwicht te brengen.
6. Het verschil tussen de waarde-overdracht krachtens het vierde lid en de lasten-min-batenuitkomst krachtens het vijfde lid wordt verrekend tussen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en de Minister van Financiën.
2. a. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds verstrekt aan een personeelslid als bedoeld in het eerste lid een schriftelijke opgave van de uit hoofde van zijn ambtenaarschap opgebouwde aanspraken ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet en van de desbetreffende wiskundige reserve. Het desbetreffende personeelslid dient binnen twee maanden aan het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds schriftelijk kenbaar te maken of hij met deze opgave instemt. Artikel N 15, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet is van overeenkomstige toepassing.
b. Het personeelslid heeft eveneens ingestemd met de opgave, indien hij het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds niet binnen twee maanden de schriftelijke kennisgeving als bedoeld onder a heeft doen toekomen.
c. De vaststelling door het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds van de uit hoofde van het ambtenaarschap opgebouwde aanspraken na de kennisgeving door het desbetreffende personeelslid als bedoeld onder a of na de periode van twee maanden als bedoeld onder b, is een beslissing als bedoeld in artikel S 1, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet. De artikelen S 1, S 2 en, tot de datum van feitelijke waarde-overdracht, S 3 van die wet zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De aanspraken die de personeelsleden op wie het eerste lid van toepassing is, toekomen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, met uitzondering van de aanspraken die voor de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2 a, geldend zijn gemaakt of geldend gemaakt hadden kunnen worden, vervallen op die datum, evenals de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens die personeelsleden.
4. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt aan de in het eerste lid bedoelde instelling een deel van het vermogen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over. De overdrachtssom wordt bepaald op basis van de aanspraken op ouderdomspensioen die krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden zijn opgebouwd tot en met de dag voorafgaande aan de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2 a. In de totale overdrachtssom is voorts ten minste een aan bedoelde aanspraken evenredig aandeel in de voorziening voor nabestaandenpensioenen en in de algemene reserve begrepen, een en ander volgens een door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds op te stellen opgebouwde aanspraken-balans. Het over te dragen vermogen heeft hetzelfde rendementspotentieel als het bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds achterblijvende vermogen.
5. Ten behoeve van de berekening van het effect voor het Algemeen burgerlijk pensioenfonds van het vervallen van de verplichtingen jegens de uitgetreden personeelsleden krachtens het derde lid en van de waarde-overdracht krachtens het vierde lid, maakt het Algemeen burgerlijk pensioenfonds een berekening van de waarde-overdracht indien deze gebaseerd zou zijn op lasten-min-baten. Hiertoe wordt voor de dag voorafgaande aan de datum van de aanwijzing, bedoeld in artikel 2 a, een evenwichtige lasten-en-batenbalans opgesteld voor deze groep personeelsleden. Als basisbijdragepercentage wordt op deze balans ingezet het percentage dat in de toekomst nodig is om de nog op te bouwen rechten van gerechtigden op pensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet juist te dekken zonder rekening te houden met toekomstige inflatie. Als inhaalbijdragepercentage wordt het percentage gebruikt dat nodig is om de lasten-en-batenbalans van het fonds in evenwicht te brengen.
6. Het verschil tussen de waarde-overdracht krachtens het vierde lid en de lasten-min-batenuitkomst krachtens het vijfde lid wordt verrekend tussen het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en de Minister van Financiën.