BWBR0005571
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel 3
Interim bijdrageregeling beeldende kunst en vormgeving
1. De hoogte van de bijdrage die aan de provincies worden toegekend, wordt berekend door het inwonertal van de desbetreffende provincie te delen door het totale inwonertal van de twaalf provincies en te vermenigvuldigen met f 20 miljoen.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de bijdrage aan de provincies Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland berekend door het inwonertal van de desbetreffende provincie te verminderen met het aantal inwoners van de gemeenten Utrecht, Amsterdam, Den Haag en Rotterdam, voor zover in die provincie gelegen.
3. De gemeenten Utrecht, Amsterdam, Den Haag en Rotterdam ontvangen een bijdrage van onderscheidenlijk f 1 305 000,- mln., f 6 893 000,- mln., f 3 025 000,- mln. en f 3 777 000,- mln.
4. De bijdrage wordt jaarlijks uiterlijk in de maand juli verstrekt.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de bijdrage aan de provincies Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland berekend door het inwonertal van de desbetreffende provincie te verminderen met het aantal inwoners van de gemeenten Utrecht, Amsterdam, Den Haag en Rotterdam, voor zover in die provincie gelegen.
3. De gemeenten Utrecht, Amsterdam, Den Haag en Rotterdam ontvangen een bijdrage van onderscheidenlijk f 1 305 000,- mln., f 6 893 000,- mln., f 3 025 000,- mln. en f 3 777 000,- mln.
4. De bijdrage wordt jaarlijks uiterlijk in de maand juli verstrekt.