BWBR0005444
Geldig vanaf 1992-11-01
Artikel 11
Wet bestrijding ongevallen Noordzee
1. Ten behoeve van de goede uitvoering van de artikelen 5, 6en 8worden bij besluit van Onze Minister handelend in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat regels gesteld inzake de organisatie en de coördinatie van de bestrijding van schadelijke gevolgen van ongevallen.
2. Met het toezicht op de naleving van de aanwijzingen, gegeven krachtens artikel 5, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. Zij zijn tevens belast met het uitvoeren van maatregelen, genomen krachtens artikel 6.
3. De krachtens het tweede lid aangewezen ambtenaren zijn bevoegd een schip te betreden, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde taken.
4. Zij gebruiken zo nodig de hulp van de sterke arm voor het betreden van het schip en voor het aan boord uitvoeren van maatregelen, genomen ingevolge artikel 6.
5. Bij toepassing van het derde lid legitimeren de daarin bedoelde ambtenaren zich desgevraagd en doen zij mededeling van het doel van het betreden van het schip.
6. De krachtens het tweede lid aangewezen ambtenaren kunnen zich bij toepassing van het derde lid door bepaalde door hen aan te wijzen personen doen vergezellen.
2. Met het toezicht op de naleving van de aanwijzingen, gegeven krachtens artikel 5, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. Zij zijn tevens belast met het uitvoeren van maatregelen, genomen krachtens artikel 6.
3. De krachtens het tweede lid aangewezen ambtenaren zijn bevoegd een schip te betreden, voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde taken.
4. Zij gebruiken zo nodig de hulp van de sterke arm voor het betreden van het schip en voor het aan boord uitvoeren van maatregelen, genomen ingevolge artikel 6.
5. Bij toepassing van het derde lid legitimeren de daarin bedoelde ambtenaren zich desgevraagd en doen zij mededeling van het doel van het betreden van het schip.
6. De krachtens het tweede lid aangewezen ambtenaren kunnen zich bij toepassing van het derde lid door bepaalde door hen aan te wijzen personen doen vergezellen.