BWBR0005443
Geldig vanaf 1992-04-30
Artikel 14
Wet goederenvervoer over de weg
1. Het is een vergunninghouder, verboden vervoer te verrichten met gebruikmaking van bestuurders van vrachtauto’s die niet bij hem in dienstbetrekking zijn.
2. Ten blijke van de in het eerste lid bedoelde dienstbetrekking wordt door de vergunninghouder en de bestuurder van een vrachtauto gezamenlijk een verklaring opgesteld waarin in ieder geval wordt vermeld dat:
a. het vervoer voor rekening en risico van de vergunninghouder wordt verricht; en
b. tussen de vergunninghouder en de bestuurder van een vrachtauto sprake is van een loons- en gezagsverhouding.
3. Onze Minister stelt het model vast van de in het tweede lid bedoelde verklaring.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over de gevallen waarin Onze Minister ontheffing kan verlenen van het in het eerste lid vermelde verbod, alsmede over de in die gevallen benodigde documenten.
5. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Ten blijke van de in het eerste lid bedoelde dienstbetrekking wordt door de vergunninghouder en de bestuurder van een vrachtauto gezamenlijk een verklaring opgesteld waarin in ieder geval wordt vermeld dat:
a. het vervoer voor rekening en risico van de vergunninghouder wordt verricht; en
b. tussen de vergunninghouder en de bestuurder van een vrachtauto sprake is van een loons- en gezagsverhouding.
3. Onze Minister stelt het model vast van de in het tweede lid bedoelde verklaring.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over de gevallen waarin Onze Minister ontheffing kan verlenen van het in het eerste lid vermelde verbod, alsmede over de in die gevallen benodigde documenten.
5. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.