1. Aan het diensthoofd wordt mandaat verleend met betrekking tot de aangelegenheden die ingevolge de
artikelen 4 tot en met 12 van het Algemeen organisatiebesluit Defensie 1992tot zijn werkterrein behoren.
2. Het diensthoofd kan zijn mandaat in een daarbij door hem te bepalen omvang doormandateren aan:
a. een plaatsvervangend diensthoofd;
b. een hoofd van een onder hem resorterend organisatie-eenheid;
c. een andere onder hem ressorterende functionaris.