BWBR0005393
Geldig vanaf 1992-11-01
Artikel 51
Scheepvaartreglement Westerschelde 1990
1. De kapitein of schipper van een schip dat behoort tot een door de Rijkshavenmeester Westerschelde aangewezen categorie van schepen, moet zich in de door de Rijkshavenmeester Westerschelde aangegeven gevallen melden.
2. De Rijkshavenmeester Westerschelde kan nadere voorschriften stellen met betrekking tot de inhoud van de melding en de wijze waarop de melding dient plaats te vinden.
3. De kapitein of schipper moet onverwijld de Rijkshavenmeester Westerschelde melden indien een schip
a. aan de grond is geraakt of gezonken, of
b. in aanraking is gekomen met een ander schip en daarbij schade van betekenis is ontstaan of zich persoonlijke ongevallen hebben voorgedaan, of
c. een boei, baken of kunstwerk heeft aangevaren, verplaatst of beschadigd, of
d. lading, brandstof of voorwerpen heeft verloren of dreigt te verliezen, of
e. brand aan boord heeft, of
f. zodanige schade heeft opgelopen dat de manoeuvreerbaarheid ervan of de veiligheid daardoor wordt beïnvloed, of
g. een hindernis in de vaarweg aantreft.
4. Wanneer er tevens gevaar, schade of hinder voor de scheepvaart kan ontstaan, moet de kapitein of schipper bovendien de naderende vaart waarschuwen.
2. De Rijkshavenmeester Westerschelde kan nadere voorschriften stellen met betrekking tot de inhoud van de melding en de wijze waarop de melding dient plaats te vinden.
3. De kapitein of schipper moet onverwijld de Rijkshavenmeester Westerschelde melden indien een schip
a. aan de grond is geraakt of gezonken, of
b. in aanraking is gekomen met een ander schip en daarbij schade van betekenis is ontstaan of zich persoonlijke ongevallen hebben voorgedaan, of
c. een boei, baken of kunstwerk heeft aangevaren, verplaatst of beschadigd, of
d. lading, brandstof of voorwerpen heeft verloren of dreigt te verliezen, of
e. brand aan boord heeft, of
f. zodanige schade heeft opgelopen dat de manoeuvreerbaarheid ervan of de veiligheid daardoor wordt beïnvloed, of
g. een hindernis in de vaarweg aantreft.
4. Wanneer er tevens gevaar, schade of hinder voor de scheepvaart kan ontstaan, moet de kapitein of schipper bovendien de naderende vaart waarschuwen.