BWBR0005283
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel 12
Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering
1. Zorg te verlenen door een gezinsvervangend tehuis voor lichamelijk gehandicapten omvat begeleiding of verzorging gericht op bevordering van de integratie van de lichamelijk gehandicapte in de samenleving, al dan niet gepaard gaande met verblijf gedurende het etmaal.
2. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat aanspraak indien de verzekerde:
a. gedurende ten minste vier dagdelen per week buiten het gezinsvervangend tehuis betaalde of onbetaalde arbeid verricht, een dagopleiding volgt of een dagverblijf voor gehandicapten bezoekt;
b. door oorzaken buiten zijn persoon gelegen geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt, maar in staat kan worden geacht op korte termijn, doch uiterlijk binnen twee jaren, tot een zodanige dagbesteding te geraken en daartoe bereid is;
c. de leeftijd van 40 jaren heeft bereikt en bij het bereiken daarvan in een gezinsvervangend tehuis verbleef en door het deelnemen aan een regeling voor vervroegde uittreding uit het arbeidsproces, het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dan wel andere oorzaken in zijn persoon gelegen, buiten het gezinsvervangend tehuis geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt en voorafgaande aan het verder verblijf gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren zodanige dagbesteding heeft gehad.
3. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat geen aanspraak indien de verzekerde in belangrijke mate aangewezen is op verpleging.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg, bedoeld in het eerste lid.
2. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat aanspraak indien de verzekerde:
a. gedurende ten minste vier dagdelen per week buiten het gezinsvervangend tehuis betaalde of onbetaalde arbeid verricht, een dagopleiding volgt of een dagverblijf voor gehandicapten bezoekt;
b. door oorzaken buiten zijn persoon gelegen geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt, maar in staat kan worden geacht op korte termijn, doch uiterlijk binnen twee jaren, tot een zodanige dagbesteding te geraken en daartoe bereid is;
c. de leeftijd van 40 jaren heeft bereikt en bij het bereiken daarvan in een gezinsvervangend tehuis verbleef en door het deelnemen aan een regeling voor vervroegde uittreding uit het arbeidsproces, het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dan wel andere oorzaken in zijn persoon gelegen, buiten het gezinsvervangend tehuis geen arbeid verricht, geen opleiding volgt of geen dagverblijf bezoekt en voorafgaande aan het verder verblijf gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaren zodanige dagbesteding heeft gehad.
3. Op het verblijf, bedoeld in het eerste lid, bestaat geen aanspraak indien de verzekerde in belangrijke mate aangewezen is op verpleging.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op de zorg, bedoeld in het eerste lid.