BWBR0005232
Geldig vanaf 1990-04-01
Artikel VIII
Wijzigingsbesluit Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (1)
1. Aan degenen die op de peildatum de hoedanigheid van belanghebbenden bezitten wordt een eenmalige uitkering verleend van f 250,-.
2. Voor de belanghebbende die op de peildatum een deelbetrekking vervult of een nevenbetrekking welke is te herleiden tot een deelbetrekking, wordt de uitkering in dezelfde verhouding lager vastgesteld als de aan de bedoelde betrekking verbonden bezoldiging zich verhoudt tot die, verbonden aan de betrekking met een volledige werktijd.
3. De eenmalige uitkering van een belanghebbende genoemd in artikel VII, sub g en h, wordt vastgesteld naar rato van het van toepassing zijnde wachtgeld- of uitkeringspercentage en naar rato van de omvang van de werktijd in de voormalige dienstbetrekking ten opzichte van de volledige werktijd. De eenmalige uitkering van deze belanghebbenden wordt voorts lager vastgesteld indien het wachtgeld of de uitkering op grond van een anticumulatiebepaling lager is vastgesteld in verband met inkomsten uit een ambtelijke dienstbetrekking of uit hoofde van een invaliditeitspensioen, in de mate waarin de hoogte van het na toepassing van die anticumulatiebepaling vastgestelde wachtgeld of de uitkering zich verhoudt tot het wachtgeld of de uitkering vóór de anticumulatie.
4. Voor de belanghebbende, die op de peildatum wegens ziekte, schorsing of verlof anders dan wegens militaire dienst, een deel van zijn bezoldiging of loon geniet, wordt de uitkering naar evenredigheid op een lager bedrag vastgesteld.
2. Voor de belanghebbende die op de peildatum een deelbetrekking vervult of een nevenbetrekking welke is te herleiden tot een deelbetrekking, wordt de uitkering in dezelfde verhouding lager vastgesteld als de aan de bedoelde betrekking verbonden bezoldiging zich verhoudt tot die, verbonden aan de betrekking met een volledige werktijd.
3. De eenmalige uitkering van een belanghebbende genoemd in artikel VII, sub g en h, wordt vastgesteld naar rato van het van toepassing zijnde wachtgeld- of uitkeringspercentage en naar rato van de omvang van de werktijd in de voormalige dienstbetrekking ten opzichte van de volledige werktijd. De eenmalige uitkering van deze belanghebbenden wordt voorts lager vastgesteld indien het wachtgeld of de uitkering op grond van een anticumulatiebepaling lager is vastgesteld in verband met inkomsten uit een ambtelijke dienstbetrekking of uit hoofde van een invaliditeitspensioen, in de mate waarin de hoogte van het na toepassing van die anticumulatiebepaling vastgestelde wachtgeld of de uitkering zich verhoudt tot het wachtgeld of de uitkering vóór de anticumulatie.
4. Voor de belanghebbende, die op de peildatum wegens ziekte, schorsing of verlof anders dan wegens militaire dienst, een deel van zijn bezoldiging of loon geniet, wordt de uitkering naar evenredigheid op een lager bedrag vastgesteld.