BWBR0005232
Geldig vanaf 1990-04-01
Artikel VII
Wijzigingsbesluit Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (1)
De in artikel VI, onder b,bedoelde functionarissen zijn:
a. de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsbesluit en zij, voor wie krachtens artikel 26 van dat besluit een bezoldigingsregeling is vastgesteld;
b. de werknemers in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 1931, 354), wier loon is vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, onder b, c of d van dat besluit;
c. de burgemeesters van één of meer gemeenten, alsmede degenen die op grond van artikel 84, derde lid, van de gemeentewet met de vervanging van het ambt zijn belast;
d. de functionarissen voor wie de bezoldiging is geregeld in de Wet van 11 september 1964, Stb. 387;
e. de rechterlijke ambtenaren wier bezoldiging is geregeld in de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren (Stb. 1972, 464);
f. de functionarissen voor wie de bezoldiging is geregeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman (Stb. 1981, 603);
g. de ambtenaren en werknemers wier bezoldiging is geregeld in de artikelen 48 en 120 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (Stb. 1986, 611);
h. de belanghebbende in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Stb. 319), de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag (Stb. 1966, 286), de Uitkeringsregeling 1966 (Stb. 408), de Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering (Stb. 1987, 400) zoals die luidde op 1 april 1990, de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (Stb. 1984, 273);
i. de gewezen noodwachter die op grond van het bepaalde in de artikelen 16 en 17 van de Intrekkingswet BB (Stb. 1986, 312) een wachtgeld of een uitkering geniet.
a. de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsbesluit en zij, voor wie krachtens artikel 26 van dat besluit een bezoldigingsregeling is vastgesteld;
b. de werknemers in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 1931, 354), wier loon is vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, onder b, c of d van dat besluit;
c. de burgemeesters van één of meer gemeenten, alsmede degenen die op grond van artikel 84, derde lid, van de gemeentewet met de vervanging van het ambt zijn belast;
d. de functionarissen voor wie de bezoldiging is geregeld in de Wet van 11 september 1964, Stb. 387;
e. de rechterlijke ambtenaren wier bezoldiging is geregeld in de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren (Stb. 1972, 464);
f. de functionarissen voor wie de bezoldiging is geregeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman (Stb. 1981, 603);
g. de ambtenaren en werknemers wier bezoldiging is geregeld in de artikelen 48 en 120 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (Stb. 1986, 611);
h. de belanghebbende in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Stb. 319), de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag (Stb. 1966, 286), de Uitkeringsregeling 1966 (Stb. 408), de Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering (Stb. 1987, 400) zoals die luidde op 1 april 1990, de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (Stb. 1984, 273);
i. de gewezen noodwachter die op grond van het bepaalde in de artikelen 16 en 17 van de Intrekkingswet BB (Stb. 1986, 312) een wachtgeld of een uitkering geniet.