1. Op de wachtgelden en uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van het
Rijkswachtgeldbesluit 1959onderscheidenlijk de
Uitkeringsregeling 1966, en het Koninklijk Besluit van 23 november 1972 (
Stb.1986, 492) onderscheidenlijk het Koninklijk Besluit van 23 november 1972 (
Stb.1986, 493) zoals deze luidden voor 1 april 1991, worden voor de resterende duur na 30 maart 1991, de bepalingen van het
Rijkswachtgeldbesluit 1959onderscheidenlijk de
Uitkeringsregeling 1966en de Koninklijke Besluiten van 23 november 1972, zoals deze luiden met ingang van 1 april 1991, toegepast.
2. Ten aanzien van de wachtgelden bedoeld in het eerste lid, die voortduren na 30 maart 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen in het
Rijkswachtgeldbesluit 1959en het Koninklijk Besluit van 23 november 1972 (
Stb.1986, 492), zoals deze luiden met ingang van 1 april 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van het toegekende wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.
3. Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die voortduren na 30 maart 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen in de
Uitkeringsregeling 1966en het Koninklijk Besluit van 23 november 1972 (
Stb.1986, 493) zoals deze luiden met ingang van 1 april 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van de toegekende uitkering langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.
4. De belanghebbende aan wie een uitkering was toegekend op grond van
artikel 14, eerste lid, van de Uitkeringsregeling 1966, onderscheidenlijk artikel 13, eerste lid, van het Koninklijk Besluit van 23 november 1972 (
Stb.1986, 493) zoals deze luidden tot 1 april 1991, en welke als gevolg van beëindiging van de werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in vorenbedoelde artikelen genoemde termijn en overeenkomstig de overige daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van de uitkering.
Artikel 14, tweede lid, van de Uitkeringsregeling 1966, onderscheidenlijk artikel 13, tweede lid, van het Koninklijk Besluit van 23 november 1972, zoals deze luidden tot 1 april 1991, blijven van toepassing op een weder toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat de duur van de toekende uitkering wordt herberekend op grond van het derde lid.