BWBR0004964
Geldig vanaf 1991-01-02
Artikel 4
Nederlandse Uitvoeringsvoorschriften belastingovereenkomst Nederland-Noorwegen 1990
1. Een lichaam, dat aan een lichaam (niet zijnde een maatschap of een vennootschap onder firma) dat inwoner van Noorwegen is en dat onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het eerstbedoelde lichaam, dividenden betaalt waarop ingevolge artikel 10, derde lid, van de Overeenkomst geen dividendbelasting mag worden ingehouden of waarop ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Overeenkomst ten hoogste 5 of 10 percent dividendbelasting mag worden ingehouden, kan bij de inspecteur binnen wiens ambtsgebied het is gevestigd, het verzoek indienen ontslagen te worden van de verplichting tot inhouding van die belasting of ontslagen te worden van de verplichting tot inhouding van die belasting voor zover deze meer dan 5 of 10 percent bedraagt.
2. In het verzoek wordt opgaaf verstrekt van:
a. de naam, de plaats van vestiging en het adres van het in het eerste lid bedoelde Noorse lichaam;
b. het bedrag van het geplaatste en gestorte kapitaal van het Nederlandse lichaam;
c. het gedeelte van dat kapitaal dat het in het eerste lid bedoelde Noorse lichaam onmiddellijk bezit;
d. het tarief van de belasting in Noorwegen geheven van uitgedeelde vennootschapswinsten en het tarief van de belasting in Noorwegen geheven van niet uitgedeelde vennootschapswinsten. In het verzoek wordt voorts verklaard dat het kapitaal van het Noorse lichaam waarop het verzoek betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld.
3. Indien de inspecteur gunstig op het verzoek beslist, blijft zijn beslissing van kracht met betrekking tot elk daarin genoemd lichaam zolang
het lichaam inwoner van Noorwegen is, en
het lichaam onmiddellijk ten minste 25 percent van het geplaatste en gestorte kapitaal van het Nederlandse lichaam blijft bezitten, en
de in de laatste volzin van het tweede lid bedoelde verklaring op het Noorse lichaam van toepassing blijft.
De bestuurder van het Nederlandse lichaam aan wie blijkt of die redelijkerwijs moet vermoeden dat zulks in enig opzicht niet meer het geval is, is gehouden daarvan aan de inspecteur schriftelijk mededeling te doen vóór de eerstvolgende vaststelling van dividend.
2. In het verzoek wordt opgaaf verstrekt van:
a. de naam, de plaats van vestiging en het adres van het in het eerste lid bedoelde Noorse lichaam;
b. het bedrag van het geplaatste en gestorte kapitaal van het Nederlandse lichaam;
c. het gedeelte van dat kapitaal dat het in het eerste lid bedoelde Noorse lichaam onmiddellijk bezit;
d. het tarief van de belasting in Noorwegen geheven van uitgedeelde vennootschapswinsten en het tarief van de belasting in Noorwegen geheven van niet uitgedeelde vennootschapswinsten. In het verzoek wordt voorts verklaard dat het kapitaal van het Noorse lichaam waarop het verzoek betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld.
3. Indien de inspecteur gunstig op het verzoek beslist, blijft zijn beslissing van kracht met betrekking tot elk daarin genoemd lichaam zolang
het lichaam inwoner van Noorwegen is, en
het lichaam onmiddellijk ten minste 25 percent van het geplaatste en gestorte kapitaal van het Nederlandse lichaam blijft bezitten, en
de in de laatste volzin van het tweede lid bedoelde verklaring op het Noorse lichaam van toepassing blijft.
De bestuurder van het Nederlandse lichaam aan wie blijkt of die redelijkerwijs moet vermoeden dat zulks in enig opzicht niet meer het geval is, is gehouden daarvan aan de inspecteur schriftelijk mededeling te doen vóór de eerstvolgende vaststelling van dividend.