BWBR0004942 Geldig vanaf 1991-01-01
Artikel 11
Regeling rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype
1. De volgende waterdichte schotten, die reiken tot de bovenkant van het scheepsboord moeten zijn aangebracht:
a. een aanvaringsschot, gelegen op tenminste 0,10 m en ten hoogste 0,60 m achter de voorloodlijn;
b. een schot tussen de machinekamer en de passagiersruimte;
c. een achterpiekschot op een redelijke afstand van de achtersteven. Op schepen met een lengte van 25 m of minder mag het achterpiekschot achterwege worden gelaten.
2. Indien de rondvaartboot is voorzien van een CNG-installatie zijn doorvoeringen door schotten gasdicht.
Doorvoeringen door het machinekamerschot zijn tevens brandwerend.
a. een aanvaringsschot, gelegen op tenminste 0,10 m en ten hoogste 0,60 m achter de voorloodlijn;
b. een schot tussen de machinekamer en de passagiersruimte;
c. een achterpiekschot op een redelijke afstand van de achtersteven. Op schepen met een lengte van 25 m of minder mag het achterpiekschot achterwege worden gelaten.
2. Indien de rondvaartboot is voorzien van een CNG-installatie zijn doorvoeringen door schotten gasdicht.
Doorvoeringen door het machinekamerschot zijn tevens brandwerend.
- Citeren als
- Art. 11
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0004942
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl