BWBR0004825
Geldig vanaf 2009-03-23
Artikel 32
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)
1. Bestuurders van een motorvoertuig, een bromfiets, een snorfiets, niet zijnde een bromfiets als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0006622/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet</a>, een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een verbrandingsmotor, of een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en voorzien van een gesloten carrosserie, voeren bij dag, indien het zicht ernstig wordt belemmerd, en bij nacht dimlicht. Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een elektromotor en niet is voorzien van een gesloten carrosserie voeren alsdan de in <a href="/wet/BWBR0025798/artikel/5.18.43" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 5.18.43, eerste lid, van de Regeling voertuigen</a>bedoelde lichten.
2. Het voeren van groot licht in plaats van dimlicht is toegestaan behoudens in de volgende gevallen:
a. bij dag;
b. bij het tegenkomen van een andere weggebruiker en
c. bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig.
3. Achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat moeten steeds gelijktijdig met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht branden.
2. Het voeren van groot licht in plaats van dimlicht is toegestaan behoudens in de volgende gevallen:
a. bij dag;
b. bij het tegenkomen van een andere weggebruiker en
c. bij het op korte afstand volgen van een ander voertuig.
3. Achterlicht en de verlichting van de achterkentekenplaat moeten steeds gelijktijdig met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht branden.