BWBR0004709
Geldig vanaf 1990-04-01
Artikel 1
Besluit melding nieuwe kennis milieugevaarlijke stoffen
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1985, 639);
b. kennis: kennis die in gedocumenteerde vorm beschikbaar is gekomen met ingang van 1 februari 1990;
c. de richtlijn: de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967, 67/548/EEG (PbEG, L 196) betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, zoals gewijzigd bij de Richtlijn van 18 september 1979, 79/831/EEG (PbEG, L 259);
d. waarschuwingszin: een verwijzing naar de bijzondere aan het gebruik van de stof of het preparaat verbonden gevaren als bedoeld in bijlage III bij de richtlijn zoals deze wordt toegekend aan een stof of een preparaat op grond van de criteria bedoeld in bijlage VI bij de richtlijn, daaronder begrepen de toekomstige wijzigingen daarvan, indien ten aanzien daarvan het tweede lid toepassing heeft gevonden.
2. Onze Minister bepaalt tezamen met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur het tijdstip met ingang waarvan een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onder d, gaat gelden.
a. de wet: de Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1985, 639);
b. kennis: kennis die in gedocumenteerde vorm beschikbaar is gekomen met ingang van 1 februari 1990;
c. de richtlijn: de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967, 67/548/EEG (PbEG, L 196) betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, zoals gewijzigd bij de Richtlijn van 18 september 1979, 79/831/EEG (PbEG, L 259);
d. waarschuwingszin: een verwijzing naar de bijzondere aan het gebruik van de stof of het preparaat verbonden gevaren als bedoeld in bijlage III bij de richtlijn zoals deze wordt toegekend aan een stof of een preparaat op grond van de criteria bedoeld in bijlage VI bij de richtlijn, daaronder begrepen de toekomstige wijzigingen daarvan, indien ten aanzien daarvan het tweede lid toepassing heeft gevonden.
2. Onze Minister bepaalt tezamen met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur het tijdstip met ingang waarvan een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onder d, gaat gelden.