BWBR0004679
Geldig vanaf 1990-01-01
Artikel 3
Regeling vergoeding pleeggezinnen
1. Het basisbedrag kan worden vermeerderd met een toelage van ten hoogste € 2,27 per dag voor de door het pleeggezin ten behoeve van de jeugdige, noodzakelijk gemaakte kosten, waarvan wordt aangetoond dat zij niet uit het basisbedrag kunnen worden voldaan en waarvoor geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt, indien zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen:
a. de termijn gedurende welke de hulpverlening nodig is te achten, bedoeld in artikel 29, eerste lid onder c van de wet, bedraagt ten hoogste zes weken of die termijn is daarna met ten hoogste zes weken verlengd en het betreft een pleegouder die geacht wordt regelmatig gedurende een korte periode als pleegouder op te treden;
b. door het pleeggezin wordt aan drie of meer jeugdigen jeugdhulpverlening geboden;
c. het betreft een jeugdige met een geestelijke of lichamelijke handicap die noodzaakt tot het maken van kosten.
2. In geval van plaatsing door een voogdij- of gezinsvoogdijinstelling van een jeugdige ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming geldt die strekt tot plaatsing in een pleeggezin of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt, kan in bijzondere situaties met toestemming van de Minister van Justitie in gevallen als bedoeld in het eerste lid onder c, een hogere toelage worden verstrekt.
3. Ten behoeve van een jeugdige ten aanzien van wie geen maatregel van justitiële kinderbescherming geldt die strekt tot plaatsing in een pleeggezin of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt, wordt naast het basisbedrag een vergoeding voor de betaalde premie voor een ziektekostenverzekering ten behoeve van de jeugdige tot ten hoogste € 45,38 per maand verleend, tenzij het een jeugdige betreft die:
a. (mede)verzekerd kan zijn op grond van de Ziekenfondswet (Stb. 1964, 392) of terzake van de ziektekosten verzekerd is door zijn wettelijke vertegenwoordiger(s);
b. 18 jaar of ouder is en in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet op de Studiefinanciering (Stb. 1986, 252).
a. de termijn gedurende welke de hulpverlening nodig is te achten, bedoeld in artikel 29, eerste lid onder c van de wet, bedraagt ten hoogste zes weken of die termijn is daarna met ten hoogste zes weken verlengd en het betreft een pleegouder die geacht wordt regelmatig gedurende een korte periode als pleegouder op te treden;
b. door het pleeggezin wordt aan drie of meer jeugdigen jeugdhulpverlening geboden;
c. het betreft een jeugdige met een geestelijke of lichamelijke handicap die noodzaakt tot het maken van kosten.
2. In geval van plaatsing door een voogdij- of gezinsvoogdijinstelling van een jeugdige ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming geldt die strekt tot plaatsing in een pleeggezin of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt, kan in bijzondere situaties met toestemming van de Minister van Justitie in gevallen als bedoeld in het eerste lid onder c, een hogere toelage worden verstrekt.
3. Ten behoeve van een jeugdige ten aanzien van wie geen maatregel van justitiële kinderbescherming geldt die strekt tot plaatsing in een pleeggezin of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt, wordt naast het basisbedrag een vergoeding voor de betaalde premie voor een ziektekostenverzekering ten behoeve van de jeugdige tot ten hoogste € 45,38 per maand verleend, tenzij het een jeugdige betreft die:
a. (mede)verzekerd kan zijn op grond van de Ziekenfondswet (Stb. 1964, 392) of terzake van de ziektekosten verzekerd is door zijn wettelijke vertegenwoordiger(s);
b. 18 jaar of ouder is en in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet op de Studiefinanciering (Stb. 1986, 252).