BWBR0004407
Geldig vanaf 1988-10-01
Artikel 2
Nadere regeling inrichting opleidingen tuin- en landschapsarchitecten
Degene die voldoet aan een van de eisen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel a en b van de wet, komt slechts voor inschrijving in het register als tuin- en landschapsarchitect in aanmerking, indien zijn opleiding ten minste de verwerving waarborgt van:
a. kennis van en inzicht in het geheel van fysisch-biotische verschijnselen en antropogene processen, dat ten grondslag ligt aan en samenhangt met het fenomeen landschap;
b. kennis van en inzicht in de effecten die optreden bij transformatie van het natuurlijk/ruimtelijk milieu;
c. kennis van en inzicht in het temporele aspect van het ruimtelijk milieu;
d. vaardigheid in het hanteren van de natuurlijke component van het ruimtelijk milieu;
e. kennis van en inzicht in menselijke en intermenselijke activiteiten in samenhang met het ruimtelijk milieu;
f. kennis van en inzicht in het planningsproces in zijn belangrijkste componenten: inventarisatie en analyse – doelformulering en programmering – ruimtelijke planvorming – evaluatie;
g. kennis, inzicht en vaardigheid met betrekking tot ‘taal’ in de uitgebreide zin van het woord, dat wil zeggen het kennen en kunnen gebruiken van woorden, tekens, beelden, vormen en symbolen ten dienste van het overdragen van ideëen en van de vormgeving van het ruimtelijk milieu;
h. kennis van en inzicht in de geschiedenis en de theorie van de landschapsarchitectuur in samenhang met aanverwante kunstvormen;
i. vaardigheid om uiteenlopende ruimtelijke problemen op verschillende schaalniveaus ontwerpend op te lossen;
j. vaardigheid om ontwerpoplossingen te maken in de vorm van een omvattend ruimtelijk concept, waarbij de invloed van en samenhang met de wijdere omgeving en de kleinere omgevingselementen duidelijk is;
k. kennis van en inzicht in de technieken om plannen te doen concretiseren.
a. kennis van en inzicht in het geheel van fysisch-biotische verschijnselen en antropogene processen, dat ten grondslag ligt aan en samenhangt met het fenomeen landschap;
b. kennis van en inzicht in de effecten die optreden bij transformatie van het natuurlijk/ruimtelijk milieu;
c. kennis van en inzicht in het temporele aspect van het ruimtelijk milieu;
d. vaardigheid in het hanteren van de natuurlijke component van het ruimtelijk milieu;
e. kennis van en inzicht in menselijke en intermenselijke activiteiten in samenhang met het ruimtelijk milieu;
f. kennis van en inzicht in het planningsproces in zijn belangrijkste componenten: inventarisatie en analyse – doelformulering en programmering – ruimtelijke planvorming – evaluatie;
g. kennis, inzicht en vaardigheid met betrekking tot ‘taal’ in de uitgebreide zin van het woord, dat wil zeggen het kennen en kunnen gebruiken van woorden, tekens, beelden, vormen en symbolen ten dienste van het overdragen van ideëen en van de vormgeving van het ruimtelijk milieu;
h. kennis van en inzicht in de geschiedenis en de theorie van de landschapsarchitectuur in samenhang met aanverwante kunstvormen;
i. vaardigheid om uiteenlopende ruimtelijke problemen op verschillende schaalniveaus ontwerpend op te lossen;
j. vaardigheid om ontwerpoplossingen te maken in de vorm van een omvattend ruimtelijk concept, waarbij de invloed van en samenhang met de wijdere omgeving en de kleinere omgevingselementen duidelijk is;
k. kennis van en inzicht in de technieken om plannen te doen concretiseren.