BWBR0004371
Geldig vanaf 1988-08-05
Artikel 2
Regeling instelling en werkwijze provinciale commissies beheer landbouwgronden
1. De provinciale commissie bestaat uit dertien door het college van gedeputeerde staten te benoemen leden, te weten:
a. één lid tevens voorzitter, bij voorkeur uit het college van gedeputeerde staten;
b. drie leden, op voordracht de drie Centrale Landbouw Organisaties gezamenlijk;
c. één lid, op voordracht van de twee organisaties van agrarische werknemers gezamenlijk;
d. twee leden, op voordracht van de in de Commissie Beheer Landbouwgronden vertegenwoordigde particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties gezamenlijk, alsmede één lid op voordracht van de provinciale milieufederatie;
e. één lid, op voordracht van de provinciale afdeling van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
f. één lid, op voordracht van de Provinciale Waterschapsbond;
g. één ambtenaar van de provinciale overheid;
h. de regiodirecteur van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
i. de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio.
2. De regiodirecteur van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en het hoofd beheer landbouwgronden vervullen de functie van secretaris, onderscheidenlijk adjunct-secretaris, van de provinciale commissie.
3. De provinciale commissie heeft zeven door het college van gedeputeerde staten te benoemen adviserende leden, te weten:
a. de secretaris van de Gewestelijke Raad van het Landbouwschap;
b. één ambtenaar van de provinciale overheid;
c. de consulent Natuur, Milieu en Faunabeheer;
d. de Consulent Landbouw.
e. de inspecteur Landinrichting;
f. een regiohoofd van het Staatsbosbeheer;
g. één lid op voordracht van de in het eerste lid bedoelde leden gezamenlijk.
4. De leden als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met g, alsmede de adviserende leden als bedoeld in het derde lid, onder b en g, worden in overeenstemming met de Commissie Beheer Landbouwgronden benoemd.
5. Voor elk lid wordt door het college van gedeputeerde staten een plaatsvervanger benoemd.
6. De leden kiezen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter.
7. De adviserende leden, bedoeld in het derde lid, onder a en c-f kunnen zich doen vervangen door een door hen aan te wijzen persoon. Het adviserend lid, bedoeld in het derde lid, onder b kan zich doen vervangen door een door hem aan te wijzen persoon, voor zover deze mogelijkheid voortvloeit uit het benoemingsbesluit ex vierde lid.
a. één lid tevens voorzitter, bij voorkeur uit het college van gedeputeerde staten;
b. drie leden, op voordracht de drie Centrale Landbouw Organisaties gezamenlijk;
c. één lid, op voordracht van de twee organisaties van agrarische werknemers gezamenlijk;
d. twee leden, op voordracht van de in de Commissie Beheer Landbouwgronden vertegenwoordigde particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties gezamenlijk, alsmede één lid op voordracht van de provinciale milieufederatie;
e. één lid, op voordracht van de provinciale afdeling van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;
f. één lid, op voordracht van de Provinciale Waterschapsbond;
g. één ambtenaar van de provinciale overheid;
h. de regiodirecteur van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
i. de inspecteur van het Inspectoraat-Generaal VROM in de betrokken regio.
2. De regiodirecteur van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en het hoofd beheer landbouwgronden vervullen de functie van secretaris, onderscheidenlijk adjunct-secretaris, van de provinciale commissie.
3. De provinciale commissie heeft zeven door het college van gedeputeerde staten te benoemen adviserende leden, te weten:
a. de secretaris van de Gewestelijke Raad van het Landbouwschap;
b. één ambtenaar van de provinciale overheid;
c. de consulent Natuur, Milieu en Faunabeheer;
d. de Consulent Landbouw.
e. de inspecteur Landinrichting;
f. een regiohoofd van het Staatsbosbeheer;
g. één lid op voordracht van de in het eerste lid bedoelde leden gezamenlijk.
4. De leden als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met g, alsmede de adviserende leden als bedoeld in het derde lid, onder b en g, worden in overeenstemming met de Commissie Beheer Landbouwgronden benoemd.
5. Voor elk lid wordt door het college van gedeputeerde staten een plaatsvervanger benoemd.
6. De leden kiezen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter.
7. De adviserende leden, bedoeld in het derde lid, onder a en c-f kunnen zich doen vervangen door een door hen aan te wijzen persoon. Het adviserend lid, bedoeld in het derde lid, onder b kan zich doen vervangen door een door hem aan te wijzen persoon, voor zover deze mogelijkheid voortvloeit uit het benoemingsbesluit ex vierde lid.