BWBR0004244
Geldig vanaf 1988-02-01
Artikel 16
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
1. Door een dienst worden slechts persoonsgegevens verzameld, geregistreerd en aan derden verstrekt, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn in deze wet omschreven taak.
2. Met betrekking tot de verstrekking van persoonsgegevens aan derden gedraagt het hoofd van de dienst zich naar de aanwijzingen van Onze betrokken Minister. Verstrekking van persoonsgegevens aan anderen dan overheidsorganen geschiedt niet dan na machtiging daartoe van Onze betrokken Minister in de in die machtiging omschreven gevallen of soorten van gevallen.
3. Onze betrokken Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie regels vast omtrent het beheer van de verzamelingen van persoonsgegevens die door de betrokken dienst worden gehouden.
4. De in het vorige lid bedoelde regels houden tenminste voorschriften in betreffende:
a. de doeleinden van de verzamelingen;
b. de geheimhouding van de daarin vastgelegde gegevens;
c. de controle op de juistheid van die gegevens;
d. de termijnen gedurende welke gegevens vastgelegd mogen blijven;
e. de overige gronden tot verwijdering van gegevens uit de verzamelingen;
f. de vernietiging van verwijderde gegevens.
5. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de verzamelingen van persoonsgegevens die door de in artikel 18 bedoelde ambtenaren worden gehouden in het kader van werkzaamheden ten behoeve van de Binnenlandse Veiligheidsdienst.
2. Met betrekking tot de verstrekking van persoonsgegevens aan derden gedraagt het hoofd van de dienst zich naar de aanwijzingen van Onze betrokken Minister. Verstrekking van persoonsgegevens aan anderen dan overheidsorganen geschiedt niet dan na machtiging daartoe van Onze betrokken Minister in de in die machtiging omschreven gevallen of soorten van gevallen.
3. Onze betrokken Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie regels vast omtrent het beheer van de verzamelingen van persoonsgegevens die door de betrokken dienst worden gehouden.
4. De in het vorige lid bedoelde regels houden tenminste voorschriften in betreffende:
a. de doeleinden van de verzamelingen;
b. de geheimhouding van de daarin vastgelegde gegevens;
c. de controle op de juistheid van die gegevens;
d. de termijnen gedurende welke gegevens vastgelegd mogen blijven;
e. de overige gronden tot verwijdering van gegevens uit de verzamelingen;
f. de vernietiging van verwijderde gegevens.
5. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de verzamelingen van persoonsgegevens die door de in artikel 18 bedoelde ambtenaren worden gehouden in het kader van werkzaamheden ten behoeve van de Binnenlandse Veiligheidsdienst.