BWBR0004189
Geldig vanaf 2012-01-01
Artikel 3b
Wet op de architectentitel
1. Voor de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/32" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 32, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/34" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">34</a>, <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/35" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">35</a>en <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/36" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">36 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens</a>wordt als aanvrager aangemerkt de persoon die krachtens artikel 13is ingeschreven in het register of die op grond van dat artikel een verzoek tot inschrijving in het register heeft gedaan ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd.
2. Onze Minister van Justitie stelt de persoon, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd in kennis van de aanvraag, bedoeld in artikel 3a, tweede lid, en vraagt zijn instemming met het in behandeling nemen van de aanvraag.
3. Indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, geen instemming verleent, bericht Onze Minister van Justitie dit aan de bevoegde autoriteit uit een andere betrokken staat die de verklaring omtrent het gedrag heeft aangevraagd.
2. Onze Minister van Justitie stelt de persoon, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd in kennis van de aanvraag, bedoeld in artikel 3a, tweede lid, en vraagt zijn instemming met het in behandeling nemen van de aanvraag.
3. Indien de persoon, bedoeld in het eerste lid, geen instemming verleent, bericht Onze Minister van Justitie dit aan de bevoegde autoriteit uit een andere betrokken staat die de verklaring omtrent het gedrag heeft aangevraagd.