BWBR0004163
Geldig vanaf 1987-07-01
Artikel 63
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
1. Onverminderd het derde lid wordt tot een bij ministeriële regeling bepaald tijdstip, dat voor verschillende groepen personen verschillend kan worden vastgesteld, onder gewezen zelfstandige in deze wet en de daarop berustende bepalingen mede verstaan: de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van <a href="/wet/BWBR0019058/artikel/1.10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.10, onderdeel C, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</a>op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, zoals dat luidde op die dag, werd aangemerkt als gewezen zelfstandige.
2. Onder gewezen zelfstandige in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan: de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van <a href="/wet/BWBR0019058/artikel/1.10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.10, onderdeel C, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</a>werd aangemerkt als gewezen zelfstandige op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, en die op grond van <a href="/wet/BWBR0004043/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3 van de Toeslagenwet</a>geen recht heeft op grond van die wet.
3. Artikel 7is niet van toepassing op de persoon die als gevolg van de inwerkingtreding van <a href="/wet/BWBR0019058/artikel/1.18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.18, onderdeel A, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</a>geen gewezen zelfstandige is en de echtgenoot van die persoon.
4. Op de persoon die op grond van het eerste of tweede lid als gewezen zelfstandige wordt aangemerkt en zijn echtgenoot blijven de artikelen 2, 5, derde lid, 5a, 6, en 8, derde lid, en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op 28 december 2005 van toepassing.
2. Onder gewezen zelfstandige in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan: de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van <a href="/wet/BWBR0019058/artikel/1.10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.10, onderdeel C, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</a>werd aangemerkt als gewezen zelfstandige op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, en die op grond van <a href="/wet/BWBR0004043/artikel/3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3 van de Toeslagenwet</a>geen recht heeft op grond van die wet.
3. Artikel 7is niet van toepassing op de persoon die als gevolg van de inwerkingtreding van <a href="/wet/BWBR0019058/artikel/1.18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.18, onderdeel A, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</a>geen gewezen zelfstandige is en de echtgenoot van die persoon.
4. Op de persoon die op grond van het eerste of tweede lid als gewezen zelfstandige wordt aangemerkt en zijn echtgenoot blijven de artikelen 2, 5, derde lid, 5a, 6, en 8, derde lid, en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op 28 december 2005 van toepassing.