BWBR0004030
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 3
Regeling Bureau Milieugevaarlijke Stoffen
1. Het bureau is belast met de uitvoering van:
a. de artikelen 11, 16, eerste en vierde lid, 17, 18, tweede lid, en 20, eerste lid, van de richtlijn;
b. de artikelen 6 tot en met 11, 12, tweede en derde lid, 13 tot en met 16, 18, eerste en vierde lid, 19, tweede lid, en, voor zover van toepassing in verband met de uitvoering van hoofdstuk 2 van de wet, 56 van de wet en artikel 2b, tweede lid, van het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen;
c. de artikelen 2, 16 en 18 tot en met 23 van de Regeling risicobeoordeling nieuwe stoffen Wet milieugevaarlijke stoffen;
d. de artikelen 9, derde lid, tweede en derde volzin, 10, eerste lid, derde alinea, tweede lid, eerste volzin, en derde lid, eerste alinea, en, voor zover het de toezending van de risicobeoordeling betreft, derde alinea, van de verordening;
e. artikel 56, eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, van de wet, voor zover deze bepalingen worden toegepast in verband met artikel 16 van de verordening;
f. de Circulaire risicobeoordeling bestaande stoffen met betrekking tot de risicobeoordeling.
2. De directeur en de coördinator (SZW) zijn bevoegd namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer onderscheidenlijk de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, besluiten te nemen ter uitvoering van de artikelen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c.
3. De coördinator bestaande stoffen (RIVM) en de coördinator (SZW) zijn bevoegd namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onderscheidenlijk de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besluiten te nemen ter uitvoering van de artikelen en de circulaire, genoemd in het eerste lid, onderdelen d, e, en f.
4. De coördinator bestaande stoffen (RIVM) kan onder nader door hem te bepalen voorwaarden bestanddelen van zijn bevoegdheid mandateren aan onder hem ressorterende functionarissen.
a. de artikelen 11, 16, eerste en vierde lid, 17, 18, tweede lid, en 20, eerste lid, van de richtlijn;
b. de artikelen 6 tot en met 11, 12, tweede en derde lid, 13 tot en met 16, 18, eerste en vierde lid, 19, tweede lid, en, voor zover van toepassing in verband met de uitvoering van hoofdstuk 2 van de wet, 56 van de wet en artikel 2b, tweede lid, van het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen;
c. de artikelen 2, 16 en 18 tot en met 23 van de Regeling risicobeoordeling nieuwe stoffen Wet milieugevaarlijke stoffen;
d. de artikelen 9, derde lid, tweede en derde volzin, 10, eerste lid, derde alinea, tweede lid, eerste volzin, en derde lid, eerste alinea, en, voor zover het de toezending van de risicobeoordeling betreft, derde alinea, van de verordening;
e. artikel 56, eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, van de wet, voor zover deze bepalingen worden toegepast in verband met artikel 16 van de verordening;
f. de Circulaire risicobeoordeling bestaande stoffen met betrekking tot de risicobeoordeling.
2. De directeur en de coördinator (SZW) zijn bevoegd namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer onderscheidenlijk de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, besluiten te nemen ter uitvoering van de artikelen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c.
3. De coördinator bestaande stoffen (RIVM) en de coördinator (SZW) zijn bevoegd namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, onderscheidenlijk de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besluiten te nemen ter uitvoering van de artikelen en de circulaire, genoemd in het eerste lid, onderdelen d, e, en f.
4. De coördinator bestaande stoffen (RIVM) kan onder nader door hem te bepalen voorwaarden bestanddelen van zijn bevoegdheid mandateren aan onder hem ressorterende functionarissen.