BWBR0004028
Geldig vanaf 1988-01-01
Artikel 13
Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
1. Naar aanleiding van een op een verdrag gegrond verzoek van een vreemde staat kan in Nederland een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld, overeenkomstig de bepalingen van <a href="/wet/BWBR0001903" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">de negende afdeling van Titel IV van Boek I van het Wetboek van Strafvordering</a>, gericht op de bepaling van hier te lande aanwezig of verworven wederrechtelijk verkregen voordeel van een persoon die in de verzoekende staat aan strafrechtelijk onderzoek is onderworpen.
2. Het strafrechtelijk financieel onderzoek kan slechts worden ingesteld, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit of de feiten ter zake waarvan de persoon in de verzoekende staat wordt verdacht in Nederland zouden zijn begaan.
3. Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek kan inbeslagneming van voorwerpen overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/94" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 94, tweede lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/94a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 94a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat te dier aanzien vanwege de verzoekende vreemde staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan.
4. De officier van justitie zendt van zijn beschikking tot sluiting van een strafrechtelijk financieel onderzoek onverwijld een afschrift aan Onze Minister. Daarbij doet hij tevens mededeling van alle voor de verzoekende vreemde staat dienstige inlichtingen.
2. Het strafrechtelijk financieel onderzoek kan slechts worden ingesteld, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit of de feiten ter zake waarvan de persoon in de verzoekende staat wordt verdacht in Nederland zouden zijn begaan.
3. Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek kan inbeslagneming van voorwerpen overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/94" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 94, tweede lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/94a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 94a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat te dier aanzien vanwege de verzoekende vreemde staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan.
4. De officier van justitie zendt van zijn beschikking tot sluiting van een strafrechtelijk financieel onderzoek onverwijld een afschrift aan Onze Minister. Daarbij doet hij tevens mededeling van alle voor de verzoekende vreemde staat dienstige inlichtingen.