BWBR0003874
Geldig vanaf 1985-10-15
Artikel 19
Regeling werkwijze landinrichtingscommissie
1. De aanwending van verworven gronden dient in overeenstemming te zijn met de taakstelling als bedoeld in het plan ingevolge artikel 73 van de wetonderscheidenlijk artikel 86 van de wetof met de taakstelling van een wijziging van het plan bedoeld in artikel 84of van een uitwerking of uitbreiding van het plan bedoeld in artikel 85 van de wet. Voor elk der doeleinden dient van de verworven grond naar verhouding niet meer te worden vastgelegd dan overeenkomt met het evenredige aandeel van de taakstelling.
2. Ingeval van een aanpassingsinrichting dient de aanwending van verworven gronden in overeenstemming te zijn met de taakstelling, bedoeld in het plan ingevolge artikel 101 van de wet, of met de taakstelling van een wijziging van het aanpassingsplan als bedoeld in artikel 114of van een uitwerking of uitbreiding van het aanpassingsplan als bedoeld in artikel 115 van de wet.
3. Jaarlijks wordt door de commissie aan de directeur DLG een verslag inzake de aanwending van de door het bureau beheer landbouwgronden verworven gronden uitgebracht volgens de daartoe door de minister vastgestelde richtlijnen.
2. Ingeval van een aanpassingsinrichting dient de aanwending van verworven gronden in overeenstemming te zijn met de taakstelling, bedoeld in het plan ingevolge artikel 101 van de wet, of met de taakstelling van een wijziging van het aanpassingsplan als bedoeld in artikel 114of van een uitwerking of uitbreiding van het aanpassingsplan als bedoeld in artikel 115 van de wet.
3. Jaarlijks wordt door de commissie aan de directeur DLG een verslag inzake de aanwending van de door het bureau beheer landbouwgronden verworven gronden uitgebracht volgens de daartoe door de minister vastgestelde richtlijnen.