BWBR0003856
Geldig vanaf 1985-10-15
Artikel 4
Regeling bijdragen werknemers in landinrichtingsgebieden
1. Aan een werknemer bij een bedrijf, dat als rechtstreeks gevolg van de toepassing van artikel 11of artikel 146 van de wetgeheel wordt beëindigd, wordt een loondervingsbijdrage toegekend indien:
a. de werknemer op de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst woonachtig is in Nederland;
b. de werknemer op de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de leeftijd van 65 jaren nog niet heeft bereikt;
c. hetzij de werknemer in het jaar voorafgaande aan de dag na die, waarop deze regeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, tweede lid, in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, gedurende ten minste negen maanden werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
hetzij de werknemer gedurende de drie jaren voorafgaande aan de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
hetzij de werknemer in het jaar voorafgaande aan de dag na die, waarop deze regeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, tweede lid, in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, gedurende ten minste negen maanden werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
hetzij de werknemer gedurende de drie jaren voorafgaande aan de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
d. de werknemer gedurende de twee kalenderjaren voorafgaande aan het jaar van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ten minste 200 werkdagen dan wel 40 werkweken per kalenderjaar verzekerd is geweest bij het Bedrijfspensioenfonds voor de landbouw dan wel het Bedrijfspensioenfonds voor het Bloembollenbedrijf.
2. Aan een werknemer bij een bedrijf, dat als rechtstreeks gevolg van de toepassing van artikel 11of artikel 146 van de wetgedeeltelijk wordt beëindigd, wordt een loondervingsbijdrage toegekend indien:
a. de werknemer voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, onder a tot en met d;
b. in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer de beëindiging rechtstreeks verband houdt met de gedeeltelijke beëindiging van het bedrijf.
3. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt een loondervingsbijdrage eveneens toegekend aan een werknemer, die vooruitlopend op de gehele dan wel gedeeltelijke beëindiging van het in de aanhef van het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf de arbeidsovereenkomst zelf beëindigt, met dien verstande dat:
hetzij de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet zijn gelegen na de dag waarop het bedrijfshoofd van het in de aanhef van het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf krachtens artikel 11 van de wet met het bureau beheer landbouwgronden een schriftelijke overeenkomst tot verkoop of verpachting van de grond heeft gesloten;
hetzij de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet zijn gelegen na de dag waarop het bedrijfshoofd van het in de aanhef van het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf de in artikel 146, vijfde lid, van de wet bedoelde afstand heeft gedaan.
4. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid geldt het bepaalde in het eerste lid onder d, niet voor de werknemer die in verband met zijn leeftijd gedurende het in het eerste lid, onder d, bedoelde tijdvak niet of slechts voor een deel verzekerd is geweest.
a. de werknemer op de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst woonachtig is in Nederland;
b. de werknemer op de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de leeftijd van 65 jaren nog niet heeft bereikt;
c. hetzij de werknemer in het jaar voorafgaande aan de dag na die, waarop deze regeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, tweede lid, in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, gedurende ten minste negen maanden werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
hetzij de werknemer gedurende de drie jaren voorafgaande aan de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
hetzij de werknemer in het jaar voorafgaande aan de dag na die, waarop deze regeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, tweede lid, in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, gedurende ten minste negen maanden werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
hetzij de werknemer gedurende de drie jaren voorafgaande aan de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werknemer is geweest bij het bedrijfshoofd van het in de aanhef bedoelde bedrijf;
d. de werknemer gedurende de twee kalenderjaren voorafgaande aan het jaar van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ten minste 200 werkdagen dan wel 40 werkweken per kalenderjaar verzekerd is geweest bij het Bedrijfspensioenfonds voor de landbouw dan wel het Bedrijfspensioenfonds voor het Bloembollenbedrijf.
2. Aan een werknemer bij een bedrijf, dat als rechtstreeks gevolg van de toepassing van artikel 11of artikel 146 van de wetgedeeltelijk wordt beëindigd, wordt een loondervingsbijdrage toegekend indien:
a. de werknemer voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, onder a tot en met d;
b. in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer de beëindiging rechtstreeks verband houdt met de gedeeltelijke beëindiging van het bedrijf.
3. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt een loondervingsbijdrage eveneens toegekend aan een werknemer, die vooruitlopend op de gehele dan wel gedeeltelijke beëindiging van het in de aanhef van het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf de arbeidsovereenkomst zelf beëindigt, met dien verstande dat:
hetzij de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet zijn gelegen na de dag waarop het bedrijfshoofd van het in de aanhef van het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf krachtens artikel 11 van de wet met het bureau beheer landbouwgronden een schriftelijke overeenkomst tot verkoop of verpachting van de grond heeft gesloten;
hetzij de dag van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet zijn gelegen na de dag waarop het bedrijfshoofd van het in de aanhef van het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrijf de in artikel 146, vijfde lid, van de wet bedoelde afstand heeft gedaan.
4. In afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid geldt het bepaalde in het eerste lid onder d, niet voor de werknemer die in verband met zijn leeftijd gedurende het in het eerste lid, onder d, bedoelde tijdvak niet of slechts voor een deel verzekerd is geweest.