BWBR0003837
Geldig vanaf 1985-10-17
Artikel 6
Uitvoeringsbesluit ex artikel 11 en 12 Grondwaterwet
1. a. Het meten van de kwaliteit van het te infiltreren water dient te geschieden door het nemen van representatieve monsters en het analyseren daarvan.
b. De parameters die moeten worden bepaald en de frequentie van bemonstering en analyse zijn vermeld in de bij dit besluit behorende bijlage.
c. De analyse van de monsters vindt plaats volgens de bepalingen van artikel 7 van het Waterleidingbesluit (Stb. 1960, 345).
2. Afhankelijk van de mate van de te verwachten beïnvloeding van de kwaliteit van het grondwater en de bodem door het te infiltreren water kunnen gedeputeerde staten het aantal parameters alsmede de frequentie van bemonstering en analyse verhogen of verlagen.
3. Gedeputeerde staten bepalen op welke wijze de meetresultaten moeten worden opgetekend en op welk tijdstip de verkregen resultaten, eventueel in samengevatte vorm, aan hen moeten worden ingezonden.
4. De in het derde lid bedoelde meetresultaten dienen minstens vijf jaren voor het bevoegde gezag beschikbaar te worden gehouden.
b. De parameters die moeten worden bepaald en de frequentie van bemonstering en analyse zijn vermeld in de bij dit besluit behorende bijlage.
c. De analyse van de monsters vindt plaats volgens de bepalingen van artikel 7 van het Waterleidingbesluit (Stb. 1960, 345).
2. Afhankelijk van de mate van de te verwachten beïnvloeding van de kwaliteit van het grondwater en de bodem door het te infiltreren water kunnen gedeputeerde staten het aantal parameters alsmede de frequentie van bemonstering en analyse verhogen of verlagen.
3. Gedeputeerde staten bepalen op welke wijze de meetresultaten moeten worden opgetekend en op welk tijdstip de verkregen resultaten, eventueel in samengevatte vorm, aan hen moeten worden ingezonden.
4. De in het derde lid bedoelde meetresultaten dienen minstens vijf jaren voor het bevoegde gezag beschikbaar te worden gehouden.