BWBR0003837
Geldig vanaf 1985-10-17
Artikel 2
Uitvoeringsbesluit ex artikel 11 en 12 Grondwaterwet
1. De onttrokken hoeveelheid grondwater dient op zodanige wijze te worden gemeten dat het meetresultaat in enig kwartaal niet meer dan vijf procent afwijkt van de werkelijk onttrokken hoeveelheid.
2. Voor inrichtingen die zijn opgericht voor een beperkte tijd, kunnen gedeputeerde staten - in door hen aan te wijzen gevallen - het in het eerste lid vermelde percentage op tien stellen.
3. Voor inrichtingen waarmee per jaar niet meer dan 50 000 kubieke meter grondwater wordt onttrokken alsmede voor inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden, kunnen gedeputeerde staten - op een daartoe strekkend verzoek - goedkeuren dat de onttrokken hoeveelheid wordt bepaald door vermeningvuldiging van de gemiddelde volumestroom met de gemeten tijd dat de inrichting in werking is. De gemiddelde volumestroom wordt door of vanwege gedeputeerde staten vastgesteld en geeft de hoeveelheid water in kubieke meters aan, die onder bedrijfsomstandigheden per uur door de inrichting stroomt.
4. Bij inrichtingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wetkunnen gedeputeerde staten voorschrijven dat de verschillende onttrekkingen afzonderlijk worden gemeten.
5. De plaats van meting en het type meetinstrument behoeven de goedkeuring van of vanwege gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten kunnen een periodieke ijking van een meetinstrument voorschrijven en een instrument doen verzegelen.
2. Voor inrichtingen die zijn opgericht voor een beperkte tijd, kunnen gedeputeerde staten - in door hen aan te wijzen gevallen - het in het eerste lid vermelde percentage op tien stellen.
3. Voor inrichtingen waarmee per jaar niet meer dan 50 000 kubieke meter grondwater wordt onttrokken alsmede voor inrichtingen die uitsluitend worden gebruikt voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden, kunnen gedeputeerde staten - op een daartoe strekkend verzoek - goedkeuren dat de onttrokken hoeveelheid wordt bepaald door vermeningvuldiging van de gemiddelde volumestroom met de gemeten tijd dat de inrichting in werking is. De gemiddelde volumestroom wordt door of vanwege gedeputeerde staten vastgesteld en geeft de hoeveelheid water in kubieke meters aan, die onder bedrijfsomstandigheden per uur door de inrichting stroomt.
4. Bij inrichtingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wetkunnen gedeputeerde staten voorschrijven dat de verschillende onttrekkingen afzonderlijk worden gemeten.
5. De plaats van meting en het type meetinstrument behoeven de goedkeuring van of vanwege gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten kunnen een periodieke ijking van een meetinstrument voorschrijven en een instrument doen verzegelen.