Artikel 1
De uitkering, bedoeld in het eerste lid van artikel 48 van de Algemene ouderdomswet, wordt niet toegekend dan nadat degene, die aanspraak maakt op die uitkering, tegenover de Sociale verzekeringsbank heeft verklaard, dat hij wegens gemoedsbezwaren geen aanspraak op het ouderdomspensioen krachtens die wet wil maken.