BWBR0003778
Geldig vanaf 1985-04-01
Artikel C7
Besluit overgangsmaatregelen v.j. en v.j.v. 1985
1. Voor degene die op 31 maart 1985 in het genot was van een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneeldan wel een uitkering ingevolge het Besluit van 4 december 1979, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet( Stb.1979, 769), wordt een uitzicht vastgesteld indien hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
a). het ontslag terzake waarvan hij een ontslaguitkering geniet is hem verleend op of na 1 augustus 1983;
b). het ontslag is verleend uit een betrekking als directeur, directeur/coördinator, adjunct-directeur of vormingsleider bij een vormingsinstituut als bedoeld in artikel AI, tweede lid, onder a;
c). de desbetreffende aanspraak op een ontslaguitkering is na de dag waarop het recht daarop is ingegaan zonder wezenlijke onderbreking blijven bestaan, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een wezenlijke onderbreking wordt aangemerkt.
Het uitzicht wordt vastgesteld op de wijze als in artikel C2 eerste lidis aangegeven waarbij in plaats van het in kolom A van dat artikellid vermelde salaris op 31 maart 1985 wordt gelezen: het salaris volgens de schaal en de salarisleeftijd op basis waarvan de desbetreffende ontslaguitkering is berekend.
2. Ten aanzien van degene die op 31 maart 1985 als directeur, directeur/coördinator, adjunct-directeur of vormingsleider in dienst was bij een vormingsinsituut en aan wie met ingang van 1 april 1985 terzake van ontslag uit die betrekking een uitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneeldan wel een uitkering ingevolge het Besluit van 4 december 1979, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet( Stb.1979, 769) is toegekend, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel C6wordt de verklaring, bedoeld in dit hoofdstuk afgegeven door Onze minister.
a). het ontslag terzake waarvan hij een ontslaguitkering geniet is hem verleend op of na 1 augustus 1983;
b). het ontslag is verleend uit een betrekking als directeur, directeur/coördinator, adjunct-directeur of vormingsleider bij een vormingsinstituut als bedoeld in artikel AI, tweede lid, onder a;
c). de desbetreffende aanspraak op een ontslaguitkering is na de dag waarop het recht daarop is ingegaan zonder wezenlijke onderbreking blijven bestaan, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een wezenlijke onderbreking wordt aangemerkt.
Het uitzicht wordt vastgesteld op de wijze als in artikel C2 eerste lidis aangegeven waarbij in plaats van het in kolom A van dat artikellid vermelde salaris op 31 maart 1985 wordt gelezen: het salaris volgens de schaal en de salarisleeftijd op basis waarvan de desbetreffende ontslaguitkering is berekend.
2. Ten aanzien van degene die op 31 maart 1985 als directeur, directeur/coördinator, adjunct-directeur of vormingsleider in dienst was bij een vormingsinsituut en aan wie met ingang van 1 april 1985 terzake van ontslag uit die betrekking een uitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneeldan wel een uitkering ingevolge het Besluit van 4 december 1979, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Werkloosheidswet( Stb.1979, 769) is toegekend, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel C6wordt de verklaring, bedoeld in dit hoofdstuk afgegeven door Onze minister.