1. Voor het vak praktische toepassing (in een bepaalde vakrichting) is bevoegd – onder de voorwaarden in het tweede lid genoemd – de leraar die in het bezit is van een der volgende diploma's, getuigschriften of bewijzen (in de desbetreffende vakrichting):
a. getuigschrift of diploma van een uit 's Rijks kas bekostigde hogere technische school,
b. idem van de werkmeestersopleiding te Heerlen,
c. bewijs van inschrijving – vóór 24 januari 1974 – in het register van de Stichting Ing. Register,
d. getuigschrift of diploma HBO-B opleiding van het laboratoriumonderwijs of daarmee overeenkomend ouder diploma,
e. diploma hoger natuurwetenschappelijk onderwijs,
f. diploma of bewijs, behaald op grond van het met gunstig gevolg afgelegd examen voor eerste stuurman GHV,
g. diploma C van scheepswerktuigkundige,
h. certificaat scheepsradiotelegrafist eerste klasse of algemeen certificaat scheepsradiotelegrafist, afgegeven door of namens de directeur-generaal van de PTT,
i. diploma van een uit 's Rijks kas bekostigde hogere zeevaartschool, afdeling navigatie, scheepswerktuigkunde of operationele techniek,
j. diploma hoger laboratoriumonderwijs (nieuwe structuur).
2. De bevoegdheid genoemd in het eerste lid geldt indien de leraar voldoet aan de twee volgende voorwaarden:
a. het bezit van het p.d. en
b. een praktijkervaring van tenminste vijf jaren, in de desbetreffende vakrichting, na het behalen van het getuigschrift, diploma of bewijs, of, indien het betreft het getuigschrift/diploma van een avond- of dag-avondschool of van de werkmeestersopleiding, van tenminste zes jaren na het 17e levensjaar; de eis van praktijkervaring geldt niet ten aanzien van de bewijzen van bekwaamheid in het eerste lid genoemd onder f. en g.