BWBR0003659
Geldig vanaf 1985-05-25
Artikel 16
Wet tot behoud van cultuurbezit
1. Met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/141" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</a>, belast:
a. de inspecteur en de in artikel 15, eerste lid, bedoelde ambtenaren, voorzover zij daartoe bij besluit van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn aangewezen;
b. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane.
Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voorzover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn belast met het op verzoek van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte opsporen van een door die staat in het verzoek omschreven roerende zaak die krachtens de nationale wetgeving van die staat een cultuurgoed is in de zin van artikel 2, onder 1, van Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PbEU 2014, L 159), mits die zaak in de zin van die richtlijn op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van die staat is gebracht.
3. Een wijziging van de richtlijn 2014/60/EU gaat voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
4. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel <em>a</em>, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de <em>Staatscourant</em>.
a. de inspecteur en de in artikel 15, eerste lid, bedoelde ambtenaren, voorzover zij daartoe bij besluit van Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn aangewezen;
b. de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane.
Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voorzover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn belast met het op verzoek van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte opsporen van een door die staat in het verzoek omschreven roerende zaak die krachtens de nationale wetgeving van die staat een cultuurgoed is in de zin van artikel 2, onder 1, van Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PbEU 2014, L 159), mits die zaak in de zin van die richtlijn op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van die staat is gebracht.
3. Een wijziging van de richtlijn 2014/60/EU gaat voor de toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
4. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel <em>a</em>, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de <em>Staatscourant</em>.