BWBR0003646
Geldig vanaf 1984-01-01
Artikel 9
Wet beperking van het wettelijk minimumloon, kinderbijslagen, een aantal sociale zekerheidsuitkeringen en enige andere uitkeringen en pensioenen
1. Per 1 januari 1984 en per 1 juli 1984 blijft de toepassing van:
a. artikel 18, eerste lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1977, 494);
b. artikel 31a, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1977, 493) en
c. artikel 28a, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1977, 495) achterwege.
2. De bedragen genoemd in de artikelen 8, zevende lid, onder a, 10, eerste lid, onder d en e, en 15, eerste en tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945zoals deze golden op 31 december 1983 worden verlaagd met 3%.
3. a. Met ingang van 1 januari 1984 worden de pensioenbedragen, grondslagen en maxima, bedoeld in artikel 31b van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en in artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers zoals deze golden op 31 december 1983, verlaagd met 3%.
b. De percentages, waarmede het peil der buitengewone pensioenen wordt aangepast, worden nader vastgesteld als volgt: 1. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag van f 2700,-: 1084,88;
2. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag van f 2990,- of hoger: 961,75, vermeerderd met f 2,54 voor elk procent, waarnaar het buitengewoon pensioen wordt berekend, en
3. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag liggende tussen f 2700,- en f 2990,- wordt het peil der buitengewone pensioenen verhoogd met een percentage liggende tussen 1084,88 en 970,32 en wel zodanig, dat de uitkomst bij een berekeningspercentage van 100, gelijk is aan f 2700,- verhoogd met een percentage van 1084,88.
1. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag van f 2700,-: 1084,88;
2. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag van f 2990,- of hoger: 961,75, vermeerderd met f 2,54 voor elk procent, waarnaar het buitengewoon pensioen wordt berekend, en
3. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag liggende tussen f 2700,- en f 2990,- wordt het peil der buitengewone pensioenen verhoogd met een percentage liggende tussen 1084,88 en 970,32 en wel zodanig, dat de uitkomst bij een berekeningspercentage van 100, gelijk is aan f 2700,- verhoogd met een percentage van 1084,88.
c. Indien de pensioengrondslag wordt afgeleid van het inkomen in 1984, wordt voor de toepassing van het bepaalde in artikel 8, zesde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en in artikel 35d, zesde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, als rekenfactor aangemerkt het percentage, waarmede het peil der buitengewone pensioenen in de periode van 1 juli 1983 tot en met 31 december 1983 wordt aangepast.
4. In afwijking van de in het eerste lid genoemde artikelen wordt bij de herziening per 1 januari 1985 uitgegaan van het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober 1984 en 30 april 1984.
5. Het bedrag, genoemd in artikel 10, achtste lid, onder a, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1984, 94), wordt bepaald op f 2666.
6. a. Per 1 juli 1984 blijft de toepassing van artikel 25, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 achterwege.
b. In afwijking van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, wordt bij de herziening per 1 januari 1985 uitgegaan van het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober 1984 en 30 april 1984.
a. Per 1 juli 1984 blijft de toepassing van artikel 25, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 achterwege.
b. In afwijking van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, wordt bij de herziening per 1 januari 1985 uitgegaan van het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober 1984 en 30 april 1984.
a. artikel 18, eerste lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1977, 494);
b. artikel 31a, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1977, 493) en
c. artikel 28a, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1977, 495) achterwege.
2. De bedragen genoemd in de artikelen 8, zevende lid, onder a, 10, eerste lid, onder d en e, en 15, eerste en tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945zoals deze golden op 31 december 1983 worden verlaagd met 3%.
3. a. Met ingang van 1 januari 1984 worden de pensioenbedragen, grondslagen en maxima, bedoeld in artikel 31b van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en in artikel 28b van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers zoals deze golden op 31 december 1983, verlaagd met 3%.
b. De percentages, waarmede het peil der buitengewone pensioenen wordt aangepast, worden nader vastgesteld als volgt: 1. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag van f 2700,-: 1084,88;
2. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag van f 2990,- of hoger: 961,75, vermeerderd met f 2,54 voor elk procent, waarnaar het buitengewoon pensioen wordt berekend, en
3. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag liggende tussen f 2700,- en f 2990,- wordt het peil der buitengewone pensioenen verhoogd met een percentage liggende tussen 1084,88 en 970,32 en wel zodanig, dat de uitkomst bij een berekeningspercentage van 100, gelijk is aan f 2700,- verhoogd met een percentage van 1084,88.
1. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag van f 2700,-: 1084,88;
2. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag van f 2990,- of hoger: 961,75, vermeerderd met f 2,54 voor elk procent, waarnaar het buitengewoon pensioen wordt berekend, en
3. voor pensioenbedragen, afgeleid van een pensioengrondslag liggende tussen f 2700,- en f 2990,- wordt het peil der buitengewone pensioenen verhoogd met een percentage liggende tussen 1084,88 en 970,32 en wel zodanig, dat de uitkomst bij een berekeningspercentage van 100, gelijk is aan f 2700,- verhoogd met een percentage van 1084,88.
c. Indien de pensioengrondslag wordt afgeleid van het inkomen in 1984, wordt voor de toepassing van het bepaalde in artikel 8, zesde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en in artikel 35d, zesde lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, als rekenfactor aangemerkt het percentage, waarmede het peil der buitengewone pensioenen in de periode van 1 juli 1983 tot en met 31 december 1983 wordt aangepast.
4. In afwijking van de in het eerste lid genoemde artikelen wordt bij de herziening per 1 januari 1985 uitgegaan van het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober 1984 en 30 april 1984.
5. Het bedrag, genoemd in artikel 10, achtste lid, onder a, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1984, 94), wordt bepaald op f 2666.
6. a. Per 1 juli 1984 blijft de toepassing van artikel 25, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 achterwege.
b. In afwijking van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, wordt bij de herziening per 1 januari 1985 uitgegaan van het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober 1984 en 30 april 1984.
a. Per 1 juli 1984 blijft de toepassing van artikel 25, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 achterwege.
b. In afwijking van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, wordt bij de herziening per 1 januari 1985 uitgegaan van het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen op 31 oktober 1984 en 30 april 1984.