BWBR0003643
Geldig vanaf 1984-02-01
Artikel 9
Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Noord- en Midden-Limburg
1. Aan woningen die op het tijdstip van het in werking treden van dit besluit binnen de zone reeds aanwezig of in aanbouw zijn en die een geluidsbelasting vanwege een luchtvaartterrein ondervinden van 40 Kosteneenheden of meer, worden door of vanwege burgemeester en wethouders met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk en van bijlage E bij dit besluit geluidwerende voorzieningen aangebracht, met uitzondering van woningen:
a. die naar verwachting binnen vijf jaar na het tijdstip van het voorgenomen aanbrengen van geluidwerende voorzieningen zullen worden onteigend of waarvan om andere redenen de bewoning binnen die termijn zal worden gestaakt;
b. die onbewoonbaar zijn verklaard of waarvoor een procedure tot onbewoonbaarverklaring als bedoeld in Hoofdstuk III, Afdeling 3, van de Woningwet aanhangig is;
c. waarvan de eigenaar of degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen of verbetering bevoegd is, door burgemeester en wethouders is aangeschreven tot het treffen van voorzieningen of verbeteringen als bedoeld in Afdeling 2 van Hoofdstuk III van de Woningwet en waaraan die voorzieningen of verbeteringen, welke verband houden met de noodzakelijke geluidwerende maatregelen, nog niet zijn aangebracht, tenzij op verzoek van de eigenaar of degene die uit anderen hoofde daartoe bevoegd is, burgemeester en wethouders ermee hebben ingestemd dat het aanbrengen van voorzieningen of de verbeteringen, waartoe is aangeschreven, en het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen gelijktijdig plaatsvinden;
d. waarvoor de vergunning als bedoeld in artikel 60 of 61 van de Woningwet door burgemeester en wethouders is geweigerd;
e. waarvan de staat van onderhoud of de bouwkundige constructie naar het oordeel van Onze Minister het aanbrengen van doeltreffende geluidwerende voorzieningen in de weg staat;
f. die niet voor permanente bewoning bestemd zijn, dan wel behoren tot de categorieën woonschepen en woonwagens;
g. die reeds voldoen aan de in artikel 10 van dit besluit gestelde eisen;
h. waarvan de eigenaar of bewoner wiens toestemming noodzakelijk is om geluidwerende voorzieningen aan te brengen, deze toestemming bij een eerdere gelegenheid heeft geweigerd, dan wel na de opgave, bedoeld in artikel 13, eerste lid, heeft geweigerd of het formulier, bedoeld in artikel 13, tweede lid, of bedoeld in artikel 13b, tweede lid, niet binnen de in artikel 13, tweede lid, of artikel 13b, derde lid, bedoelde termijn heeft teruggezonden;
i. die reeds aanwezig zijn en waaraan geluidwerende voorzieningen worden getroffen als onderdeel van voorzieningen: 1°. die getroffen worden met geldelijke steun op grond van het Besluit woninggebonden subsidies 1995 en
2°. waarvan de kosten meer bedragen dan € 22 689,01.
1°. die getroffen worden met geldelijke steun op grond van het Besluit woninggebonden subsidies 1995 en
2°. waarvan de kosten meer bedragen dan € 22 689,01.
2. Met betrekking tot geluidgevoelige gebouwen niet zijnde woningen is dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.
a. die naar verwachting binnen vijf jaar na het tijdstip van het voorgenomen aanbrengen van geluidwerende voorzieningen zullen worden onteigend of waarvan om andere redenen de bewoning binnen die termijn zal worden gestaakt;
b. die onbewoonbaar zijn verklaard of waarvoor een procedure tot onbewoonbaarverklaring als bedoeld in Hoofdstuk III, Afdeling 3, van de Woningwet aanhangig is;
c. waarvan de eigenaar of degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen of verbetering bevoegd is, door burgemeester en wethouders is aangeschreven tot het treffen van voorzieningen of verbeteringen als bedoeld in Afdeling 2 van Hoofdstuk III van de Woningwet en waaraan die voorzieningen of verbeteringen, welke verband houden met de noodzakelijke geluidwerende maatregelen, nog niet zijn aangebracht, tenzij op verzoek van de eigenaar of degene die uit anderen hoofde daartoe bevoegd is, burgemeester en wethouders ermee hebben ingestemd dat het aanbrengen van voorzieningen of de verbeteringen, waartoe is aangeschreven, en het aanbrengen van de geluidwerende voorzieningen gelijktijdig plaatsvinden;
d. waarvoor de vergunning als bedoeld in artikel 60 of 61 van de Woningwet door burgemeester en wethouders is geweigerd;
e. waarvan de staat van onderhoud of de bouwkundige constructie naar het oordeel van Onze Minister het aanbrengen van doeltreffende geluidwerende voorzieningen in de weg staat;
f. die niet voor permanente bewoning bestemd zijn, dan wel behoren tot de categorieën woonschepen en woonwagens;
g. die reeds voldoen aan de in artikel 10 van dit besluit gestelde eisen;
h. waarvan de eigenaar of bewoner wiens toestemming noodzakelijk is om geluidwerende voorzieningen aan te brengen, deze toestemming bij een eerdere gelegenheid heeft geweigerd, dan wel na de opgave, bedoeld in artikel 13, eerste lid, heeft geweigerd of het formulier, bedoeld in artikel 13, tweede lid, of bedoeld in artikel 13b, tweede lid, niet binnen de in artikel 13, tweede lid, of artikel 13b, derde lid, bedoelde termijn heeft teruggezonden;
i. die reeds aanwezig zijn en waaraan geluidwerende voorzieningen worden getroffen als onderdeel van voorzieningen: 1°. die getroffen worden met geldelijke steun op grond van het Besluit woninggebonden subsidies 1995 en
2°. waarvan de kosten meer bedragen dan € 22 689,01.
1°. die getroffen worden met geldelijke steun op grond van het Besluit woninggebonden subsidies 1995 en
2°. waarvan de kosten meer bedragen dan € 22 689,01.
2. Met betrekking tot geluidgevoelige gebouwen niet zijnde woningen is dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.