BWBR0003643
Geldig vanaf 1984-02-01
Artikel 3
Besluit zonering buitenlandse luchtvaartterreinen Noord- en Midden-Limburg
1. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een luchtvaartterrein, van de uitwendige scheidingsconstructie van woningen die op het tijdstip van in werking treden van dit besluit binnen de zone nog niet aanwezig of in aanbouw zijn, is 35 Kosteneenheden.
2. Gedeputeerde staten kunnen voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de uitwendige scheidingsconstructie van woningen als bedoeld in het eerste lid een hogere dan de in dat lid genoemde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde 40 Kosteneenheden niet te boven mag gaan.
3. In afwijking van het tweede lid kunnen gedeputeerde staten een hogere waarde dan 40 Kosteneenheden vaststellen, met dien verstande dat deze waarde 45 Kosteneenheden niet te boven mag gaan, voor wat betreft:
a. geprojecteerde woningen;
b. woningen die in plaats van geprojecteerde woningen worden gebouwd, omdat het geldende bestemmingsplan om financieel-economische redenen moet worden herzien, of
c. woningen die om redenen van bedrijfs- of grondgebondenheid noodzakelijk zijn.
4. Vaststelling van een hogere waarde als bedoeld in het tweede lid en derde lid, in de gevallen onder aen b, kan alleen geschieden indien naar het oordeel van gedeputeerde staten
a. de woningen een open plaats in de bestaande te handhaven bebouwing opvullen,
b. uit een beschrijving van de verwachte ontwikkeling van het luchtverkeer op het luchtvaartterrein en de daarmede samenhangende geluidsbelasting door luchtvaartuigen blijkt dat de geluidsbelasting ter plaatse binnen redelijke termijn tot 35 Kosteneenheden of minder zal afnemen,
c. de woningen zullen dienen ter vervanging van op die plaats reeds aanwezige bebouwing, of
d. de woningen zullen dienen voor de huisvesting van door de gemeente aangewezen woningzoekenden voor wie huisvesting elders in het woningmarktgebied op overwegende bezwaren zou stuiten.
In de gevallen, bedoeld in het derde lid, onder b, mogen tevens het voorziene aantal geluidgehinderden en de aan de uitwendige scheidingsconstructie optredende geluidsbelasting niet wezenlijk toenemen.
5. Vaststelling van een hogere waarde als bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt alleen wanneer zodanige geluidwerende voorzieningen aan de woning worden getroffen, dat de geluidsbelasting binnen de woning een milieuhygiënisch aanvaardbaar niveau niet te boven gaat.
2. Gedeputeerde staten kunnen voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de uitwendige scheidingsconstructie van woningen als bedoeld in het eerste lid een hogere dan de in dat lid genoemde waarde vaststellen, met dien verstande dat deze waarde 40 Kosteneenheden niet te boven mag gaan.
3. In afwijking van het tweede lid kunnen gedeputeerde staten een hogere waarde dan 40 Kosteneenheden vaststellen, met dien verstande dat deze waarde 45 Kosteneenheden niet te boven mag gaan, voor wat betreft:
a. geprojecteerde woningen;
b. woningen die in plaats van geprojecteerde woningen worden gebouwd, omdat het geldende bestemmingsplan om financieel-economische redenen moet worden herzien, of
c. woningen die om redenen van bedrijfs- of grondgebondenheid noodzakelijk zijn.
4. Vaststelling van een hogere waarde als bedoeld in het tweede lid en derde lid, in de gevallen onder aen b, kan alleen geschieden indien naar het oordeel van gedeputeerde staten
a. de woningen een open plaats in de bestaande te handhaven bebouwing opvullen,
b. uit een beschrijving van de verwachte ontwikkeling van het luchtverkeer op het luchtvaartterrein en de daarmede samenhangende geluidsbelasting door luchtvaartuigen blijkt dat de geluidsbelasting ter plaatse binnen redelijke termijn tot 35 Kosteneenheden of minder zal afnemen,
c. de woningen zullen dienen ter vervanging van op die plaats reeds aanwezige bebouwing, of
d. de woningen zullen dienen voor de huisvesting van door de gemeente aangewezen woningzoekenden voor wie huisvesting elders in het woningmarktgebied op overwegende bezwaren zou stuiten.
In de gevallen, bedoeld in het derde lid, onder b, mogen tevens het voorziene aantal geluidgehinderden en de aan de uitwendige scheidingsconstructie optredende geluidsbelasting niet wezenlijk toenemen.
5. Vaststelling van een hogere waarde als bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt alleen wanneer zodanige geluidwerende voorzieningen aan de woning worden getroffen, dat de geluidsbelasting binnen de woning een milieuhygiënisch aanvaardbaar niveau niet te boven gaat.