BWBR0003628
Geldig vanaf 2015-10-14
Artikel 3.16
Binnenvaartpolitiereglement
1. Een niet-vrijvarende veerpont moet des nachts voeren:
a. een wit helder rondom schijnend licht op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag echter worden verminderd, indien de lengte van de pont 15 m niet overschrijdt;
b. een groen helder rondom schijnend licht ongeveer 1 m boven het onder a bedoelde licht.
2. De het meest bovenstrooms gelegen ankerschuit of drijver van een veerpont aan een langskabel moet des nachts zijn voorzien van een wit helder rondom schijnend licht, tenminste 3 m boven het wateroppervlak.
3. Een vrijvarende veerpont moet des nachts voeren:
a. een wit helder rondom schijnend licht, bedoeld in het eerste lid, onder a;
b. een groen helder rondom schijnend licht, bedoeld in het eerste lid, onder b, en,
c. boordlichten en een heklicht. Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder b en c.
a. een wit helder rondom schijnend licht op een hoogte van tenminste 5 m. Deze hoogte mag echter worden verminderd, indien de lengte van de pont 15 m niet overschrijdt;
b. een groen helder rondom schijnend licht ongeveer 1 m boven het onder a bedoelde licht.
2. De het meest bovenstrooms gelegen ankerschuit of drijver van een veerpont aan een langskabel moet des nachts zijn voorzien van een wit helder rondom schijnend licht, tenminste 3 m boven het wateroppervlak.
3. Een vrijvarende veerpont moet des nachts voeren:
a. een wit helder rondom schijnend licht, bedoeld in het eerste lid, onder a;
b. een groen helder rondom schijnend licht, bedoeld in het eerste lid, onder b, en,
c. boordlichten en een heklicht. Deze lichten moeten voldoen aan artikel 3.08, eerste lid, onder b en c.