BWBR0003570
Geldig vanaf 1983-02-01
Artikel 9
Legesbesluit 1983
1. Voor het afgeven of verlengen door Onze Minister van een reisdocument ten behoeve van:
- een persoon die niet in een Nederlands persoonsregister is opgenomen;
- een persoon, werkzaam in de internationale Rijn- of luchtvaart, en bij Onze Minister als zodanig geregistreerd,
worden de bedragen van de kanselarijleges, genoemd in de artikelen 2, 3, 4, 6en 8verhoogd met een bedrag van € 18,15 met dien verstande dat de afgifte of verlenging plaatsvindt met een geldigheidsduur van ten hoogste:
a. vijf jaar, indien het een Nederlander betreft;
b. één jaar, indien het een vreemdeling betreft;
c. twee jaar, indien het de afgifte van een identiteitskaart (toeristenkaart) betreft.
2. Voor het afgeven of verlengen door Onze Minister van een additioneel (tweede) paspoort met een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaar ten behoeve van een Nederlander, die aantoont om dringende redenen van beroepsuitoefening niet te kunnen volstaan met het bezit van één paspoort, worden de bedragen van de kanselarijleges, genoemd in de artikelen 2, 3en 4verhoogd met een bedrag van € 18,15.
- een persoon die niet in een Nederlands persoonsregister is opgenomen;
- een persoon, werkzaam in de internationale Rijn- of luchtvaart, en bij Onze Minister als zodanig geregistreerd,
worden de bedragen van de kanselarijleges, genoemd in de artikelen 2, 3, 4, 6en 8verhoogd met een bedrag van € 18,15 met dien verstande dat de afgifte of verlenging plaatsvindt met een geldigheidsduur van ten hoogste:
a. vijf jaar, indien het een Nederlander betreft;
b. één jaar, indien het een vreemdeling betreft;
c. twee jaar, indien het de afgifte van een identiteitskaart (toeristenkaart) betreft.
2. Voor het afgeven of verlengen door Onze Minister van een additioneel (tweede) paspoort met een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaar ten behoeve van een Nederlander, die aantoont om dringende redenen van beroepsuitoefening niet te kunnen volstaan met het bezit van één paspoort, worden de bedragen van de kanselarijleges, genoemd in de artikelen 2, 3en 4verhoogd met een bedrag van € 18,15.