BWBR0003538
Geldig vanaf 2000-02-18
Artikel 2
Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht
1. Aan de militair, die voor onbepaalde tijd wordt aangesteld bij het beroepspersoneel, kan naar bij ministeriële regeling te stellen regels een premie worden toegekend, die gelijk is aan ten hoogste 20% van het salaris van een kapitein van de Koninklijke landmacht met salarisnummer 19, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting.
2. De in het eerste lid bedoelde militair dient de door hem genoten premie op een door Onze minister te bepalen wijze aan het Rijk terug te betalen indien hij, binnen het tijdvak dat op hem een verplichting rust, wordt ontslagen:
a. van rechtswege;
b. op zijn aanvraag met toepassing van artikel 39, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, of op grond van artikel 39, tweede lid, onder j, k, l, m of n van dat reglement, of op grond van artikel 12g, tweede lid van de Militaire ambtenarenwet 1931;
3. De in het eerste lid bedoelde militair die wordt ontslagen op grond van artikel 39, tweede lid, onder h, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, verliest zijn aanspraak op premie.
4. Onze minister kan, indien de billijkheid zulks naar zijn oordeel vordert, een militair, op wie de verplichting rust tot de in het tweede lid bedoelde terugbetaling, geheel of gedeeltelijk van die verplichting ontheffen.
2. De in het eerste lid bedoelde militair dient de door hem genoten premie op een door Onze minister te bepalen wijze aan het Rijk terug te betalen indien hij, binnen het tijdvak dat op hem een verplichting rust, wordt ontslagen:
a. van rechtswege;
b. op zijn aanvraag met toepassing van artikel 39, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, of op grond van artikel 39, tweede lid, onder j, k, l, m of n van dat reglement, of op grond van artikel 12g, tweede lid van de Militaire ambtenarenwet 1931;
3. De in het eerste lid bedoelde militair die wordt ontslagen op grond van artikel 39, tweede lid, onder h, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, verliest zijn aanspraak op premie.
4. Onze minister kan, indien de billijkheid zulks naar zijn oordeel vordert, een militair, op wie de verplichting rust tot de in het tweede lid bedoelde terugbetaling, geheel of gedeeltelijk van die verplichting ontheffen.