BWBR0003526
Geldig vanaf 1982-11-18
Artikel 7
Besluit vaarbewijzen binnenvaart
1. In plaats van de geneeskundige verklaring kan een eigen verklaring worden overgelegd door:
a. de aanvrager van het klein vaarbewijs;
b. de aanvrager van het groot vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren, die de 50-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en reeds in het bezit is van een geldig groot vaarbewijs voor de vaart op de rivieren, kanalen en meren;
c. de aanvrager die niet langer niet langer dan drie maanden voor het indienen van de aanvraag met gunstig gevolg een onderzoek heeft ondergaan omtrent het voldoen aan geneeskundige eisen, welke gelden voor schippers van rijksvaartuigen, voor loodsen, voor Rijnschippers of voor personen aan wie aan boord van zeeschepen de wacht of het houden van uitkijk kan worden opgedragen;
d. de aanvrager die niet langer dan drie maanden voor het indienen van de aanvraag met gunstig gevolg een onderzoek heeft ondergaan omtrent het voldoen aan geneeskundige eisen in andere gevallen dan onder c bedoeld, welke eisen naar het oordeel van Onze Minister - gehoord een in artikel 21, tweede lid, van de Binnenschepenwet bedoelde deskundige - in voldoende mate betrekking hebben op de in artikel 6, eerste lid, genoemde onderwerpen;
e. de aanvrager die bij toepassing van artikel 55, vierde lid, van de Binnenschepenwet 65 jaar of ouder is.
2. De eigen verklaring heeft betrekking op de onderwerpen, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid.
3. De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, onder b, cen d,legt bescheiden over ten bewijze van het feit dat hij voldoet aan de aldaar gestelde vereisten.
4. De eigen verklaring mag niet ouder zijn dan zes maanden.
5. Indien de eigen verklaring op enige afwijking wijst kan door een deskundige, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de Binnenschepenwet, een geneeskundige verklaring worden afgegeven indien hij van oordeel is dat de afwijking het veilig varen niet nadelig zal beïnvloeden.
6. Het opmaken en het beoordelen van de eigen verklaring geschiedt met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen regelen.
a. de aanvrager van het klein vaarbewijs;
b. de aanvrager van het groot vaarbewijs voor de vaart op alle binnenwateren, die de 50-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en reeds in het bezit is van een geldig groot vaarbewijs voor de vaart op de rivieren, kanalen en meren;
c. de aanvrager die niet langer niet langer dan drie maanden voor het indienen van de aanvraag met gunstig gevolg een onderzoek heeft ondergaan omtrent het voldoen aan geneeskundige eisen, welke gelden voor schippers van rijksvaartuigen, voor loodsen, voor Rijnschippers of voor personen aan wie aan boord van zeeschepen de wacht of het houden van uitkijk kan worden opgedragen;
d. de aanvrager die niet langer dan drie maanden voor het indienen van de aanvraag met gunstig gevolg een onderzoek heeft ondergaan omtrent het voldoen aan geneeskundige eisen in andere gevallen dan onder c bedoeld, welke eisen naar het oordeel van Onze Minister - gehoord een in artikel 21, tweede lid, van de Binnenschepenwet bedoelde deskundige - in voldoende mate betrekking hebben op de in artikel 6, eerste lid, genoemde onderwerpen;
e. de aanvrager die bij toepassing van artikel 55, vierde lid, van de Binnenschepenwet 65 jaar of ouder is.
2. De eigen verklaring heeft betrekking op de onderwerpen, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid.
3. De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, onder b, cen d,legt bescheiden over ten bewijze van het feit dat hij voldoet aan de aldaar gestelde vereisten.
4. De eigen verklaring mag niet ouder zijn dan zes maanden.
5. Indien de eigen verklaring op enige afwijking wijst kan door een deskundige, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de Binnenschepenwet, een geneeskundige verklaring worden afgegeven indien hij van oordeel is dat de afwijking het veilig varen niet nadelig zal beïnvloeden.
6. Het opmaken en het beoordelen van de eigen verklaring geschiedt met inachtneming van de bij regeling van Onze Minister vast te stellen regelen.