BWBR0003449
Geldig vanaf 1981-11-07
Artikel 3
Besluit omschrijving en aanduiding van het gebied als bedoeld in artikel 3 Wet agrarisch grondverkeer
1. De bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders gevoegde kaart wordt ingericht met inachtneming van de volgende voorschriften:
a. de kaart wordt vervaardigd op een schaal van 1 op 10.000;
b. de begrenzing van het in het besluit van het college van burgemeester en wethouders begrepen gebied wordt met een duidelijke ononderbroken lijn op de kaart aangegeven;
c. uit de kaart moet de kadastrale sectie-indeling blijken door middel van een onderbroken lijn;
d. uit de kaart moet de aansluiting van het in het besluit van het college van burgemeester en wethouders begrepen gebied aan het daaromheen gelegen gebied blijken;
e. op de kaart wordt een noordpijl alsmede de naam van de gemeente aangegeven.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, mag de kaart worden vervaardigd op een schaal van:
a. 1 op 25.000, indien de uitgestrektheid van de gemeente daartoe aanleiding geeft;
b. 1 op 5.000, indien de bijzondere kadastrale situatie van het gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, dit noodzakelijk maakt.
3. Onze Minister kan met betrekking tot de technische uitvoering van de kaarten nadere voorschriften geven.
a. de kaart wordt vervaardigd op een schaal van 1 op 10.000;
b. de begrenzing van het in het besluit van het college van burgemeester en wethouders begrepen gebied wordt met een duidelijke ononderbroken lijn op de kaart aangegeven;
c. uit de kaart moet de kadastrale sectie-indeling blijken door middel van een onderbroken lijn;
d. uit de kaart moet de aansluiting van het in het besluit van het college van burgemeester en wethouders begrepen gebied aan het daaromheen gelegen gebied blijken;
e. op de kaart wordt een noordpijl alsmede de naam van de gemeente aangegeven.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, mag de kaart worden vervaardigd op een schaal van:
a. 1 op 25.000, indien de uitgestrektheid van de gemeente daartoe aanleiding geeft;
b. 1 op 5.000, indien de bijzondere kadastrale situatie van het gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, dit noodzakelijk maakt.
3. Onze Minister kan met betrekking tot de technische uitvoering van de kaarten nadere voorschriften geven.