BWBR0003449
Geldig vanaf 1981-11-07
Artikel 1
Besluit omschrijving en aanduiding van het gebied als bedoeld in artikel 3 Wet agrarisch grondverkeer
1. De omschrijving en de aanduiding van het gebied waarvan bij besluit van het college van burgemeester en wethouders wordt verklaard, dat daarin uitsluitend of nagenoeg uitsluitend onroerend goed is gelegen, dat duurzaam voor andere dan landbouwkundige doeleinden wordt gebruikt dan wel onroerend goed dat niet als natuurterrein dient te worden aangemerkt, geschiedt in dat besluit door de vermelding van alle tot het gebied behorende percelen, met gebruikmaking van hun kadastrale aanduiding, welke bestaat uit achtereenvolgens de naam der kadastrale gemeente, de aanduiding der sectie en het perceelnummer.
2. Indien alle percelen die binnen één kadastrale sectie zijn gelegen tot het gebied behoren, wordt volstaan met de vermelding van de naam der kadastrale gemeente en de aanduiding der sectie.
3. Indien van de in één kadastrale sectie gelegen percelen het aantal der duurzaam voor andere dan landbouwkundige doeleinden gebruikt wordende percelen dan wel de percelen die niet als natuurterreinen dienen te worden aangemerkt, aanmerkelijk groter is dan het aantal overige percelen, wordt het gebied omschreven en aangeduid als omvattende de gehele sectie, met uitzondering van die overige percelen, welke laatste als zodanig worden vermeld en daarbij door hun nummer worden aangegeven.
4. Bij de vermeldingen ingevolge het eerste en het derde lid worden de perceelnummers in hun numerieke volgorde geplaatst.
5. Als kadastrale aanduiding waarvan vermelding geschiedt ingevolge het eerste, tweede en derde lid, wordt aangemerkt die, welke bestaat op een tijdstip dat het college van burgemeester en wethouders in het besluit aanwijst.
2. Indien alle percelen die binnen één kadastrale sectie zijn gelegen tot het gebied behoren, wordt volstaan met de vermelding van de naam der kadastrale gemeente en de aanduiding der sectie.
3. Indien van de in één kadastrale sectie gelegen percelen het aantal der duurzaam voor andere dan landbouwkundige doeleinden gebruikt wordende percelen dan wel de percelen die niet als natuurterreinen dienen te worden aangemerkt, aanmerkelijk groter is dan het aantal overige percelen, wordt het gebied omschreven en aangeduid als omvattende de gehele sectie, met uitzondering van die overige percelen, welke laatste als zodanig worden vermeld en daarbij door hun nummer worden aangegeven.
4. Bij de vermeldingen ingevolge het eerste en het derde lid worden de perceelnummers in hun numerieke volgorde geplaatst.
5. Als kadastrale aanduiding waarvan vermelding geschiedt ingevolge het eerste, tweede en derde lid, wordt aangemerkt die, welke bestaat op een tijdstip dat het college van burgemeester en wethouders in het besluit aanwijst.