BWBR0003391
Geldig vanaf 2008-07-01
Artikel 9a
Wet voorkeursrecht gemeenten
1. Indien provinciale staten het voornemen hebben toepassing te geven aan <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/3.26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.26, eerste en vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening</a>kunnen zij, op gelijke wijze als de gemeenteraad, overeenkomstig artikel 2in samenhang met artikel 3, 4of 5, gronden aanwijzen, met dien verstande dat voor een aanwijzing in samenhang met artikel 4uitsluitend een structuurvisie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/2.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening</a>in aanmerking komt. In een besluit tot aanwijzing overeenkomstig artikel 4of 5geven provinciale staten aan op welke wijze invulling gegeven zal worden aan een inpassingsplan. Gedeputeerde staten kunnen op gelijke wijze als burgemeester en wethouders overeenkomstig artikel 6gronden voorlopig aanwijzen.
2. Indien Onze Minister het voornemen heeft toepassing te geven aan <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/3.28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.28, eerste en vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening</a>kan deze, op gelijke wijze als de gemeenteraad, overeenkomstig artikel 2in samenhang met artikel 3, 4of 5gronden aanwijzen, met dien verstande dat voor een aanwijzing in samenhang met artikel 4uitsluitend een structuurvisie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/2.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening</a>in aanmerking komt. Bij een aanwijzing overeenkomstig de artikelen 4en 5geeft Onze Minister aan op welke wijze invulling gegeven zal worden aan een inpassingsplan.
3. De artikelen 6, derde lid, 7 tot en met 15, 24en 26zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Bij toepassing van het eerste of tweede lid verstrekken gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister onverwijld een exemplaar van het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing en de bijbehorende kadastrale kaart aan de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, ter inschrijving van die stukken in de openbare registers en doen mededeling van de aanwijzing of voorlopige aanwijzing aan burgemeester en wethouders van de gemeente en gedeputeerde staten van de provincie waarin de gronden waarop de aanwijzing betrekking heeft zijn gelegen. <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/24" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek</a>is niet van toepassing. Evenzo doen gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister mededeling van het intrekken of van het van rechtswege vervallen van een besluit tot aanwijzing aan:
a. de Dienst voor het kadaster en de openbare registers;
b. de desbetreffende eigenaren en beperkt gerechtigden, en
c. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gronden waarop de aanwijzing betrekking had, zijn gelegen.
5. Bij toepassing van het eerste lid worden de in de artikelen 10, 11, 12, 24, 26en 27geregelde bevoegdheden en verplichtingen met uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van burgemeester en wethouders, uitgeoefend door gedeputeerde staten en neemt de provincie de plaats in van de gemeente.
6. Bij toepassing van het tweede lid worden de in de artikelen 10, 11, 12, 24, 26en 27geregelde bevoegdheden en verplichtingen met uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van burgemeester en wethouders of van gedeputeerde staten uitgeoefend door Onze Minister en neemt de Staat de plaats in van de gemeente, onderscheidenlijk de provincie.
2. Indien Onze Minister het voornemen heeft toepassing te geven aan <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/3.28" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.28, eerste en vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening</a>kan deze, op gelijke wijze als de gemeenteraad, overeenkomstig artikel 2in samenhang met artikel 3, 4of 5gronden aanwijzen, met dien verstande dat voor een aanwijzing in samenhang met artikel 4uitsluitend een structuurvisie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0020449/artikel/2.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening</a>in aanmerking komt. Bij een aanwijzing overeenkomstig de artikelen 4en 5geeft Onze Minister aan op welke wijze invulling gegeven zal worden aan een inpassingsplan.
3. De artikelen 6, derde lid, 7 tot en met 15, 24en 26zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Bij toepassing van het eerste of tweede lid verstrekken gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister onverwijld een exemplaar van het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing en de bijbehorende kadastrale kaart aan de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, ter inschrijving van die stukken in de openbare registers en doen mededeling van de aanwijzing of voorlopige aanwijzing aan burgemeester en wethouders van de gemeente en gedeputeerde staten van de provincie waarin de gronden waarop de aanwijzing betrekking heeft zijn gelegen. <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/24" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek</a>is niet van toepassing. Evenzo doen gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister mededeling van het intrekken of van het van rechtswege vervallen van een besluit tot aanwijzing aan:
a. de Dienst voor het kadaster en de openbare registers;
b. de desbetreffende eigenaren en beperkt gerechtigden, en
c. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gronden waarop de aanwijzing betrekking had, zijn gelegen.
5. Bij toepassing van het eerste lid worden de in de artikelen 10, 11, 12, 24, 26en 27geregelde bevoegdheden en verplichtingen met uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van burgemeester en wethouders, uitgeoefend door gedeputeerde staten en neemt de provincie de plaats in van de gemeente.
6. Bij toepassing van het tweede lid worden de in de artikelen 10, 11, 12, 24, 26en 27geregelde bevoegdheden en verplichtingen met uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van burgemeester en wethouders of van gedeputeerde staten uitgeoefend door Onze Minister en neemt de Staat de plaats in van de gemeente, onderscheidenlijk de provincie.