BWBR0003299
Geldig vanaf 1998-12-31
Artikel 21
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
1. Met het toezicht op de naleving van <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/646" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>en van het bepaalde bij of krachtens deze wet, zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan ten behoeve van dit toezicht een onderzoek doen instellen door die ambtenaren. Voorzover het de openbare dienst betreft kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzoeken een onderzoek als bedoeld in de tweede volzin te doen instellen. Van een besluit als bedoeld in de eerste volzin wordt mededeling gedaan door plaatsing in de <em>Staatscourant</em>.
2. Indien uit een onderzoek blijkt dat een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/646" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>of in deze wet doet Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hiervan mededeling aan de natuurlijke persoon, rechtspersoon of het bevoegde gezag dat het onderscheid heeft gemaakt of maakt, en, indien het een onderscheid als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/646" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>of artikel 1bof artikel 1cvan deze wet betreft, aan de betrokken ondernemingsraad of het daarmee vergelijkbare medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of van overheidspersoneel.
De mededeling aan de betrokken ondernemingsraad of het daarmee vergelijkbare medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of van overheidspersoneel bevat geen gegevens waaruit de identiteit van de in het onderzoek betrokken personen ten nadele van wie het onderscheid is of wordt gemaakt kan worden afgeleid.
2. Indien uit een onderzoek blijkt dat een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/646" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>of in deze wet doet Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hiervan mededeling aan de natuurlijke persoon, rechtspersoon of het bevoegde gezag dat het onderscheid heeft gemaakt of maakt, en, indien het een onderscheid als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005290/artikel/646" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</a>of artikel 1bof artikel 1cvan deze wet betreft, aan de betrokken ondernemingsraad of het daarmee vergelijkbare medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of van overheidspersoneel.
De mededeling aan de betrokken ondernemingsraad of het daarmee vergelijkbare medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of van overheidspersoneel bevat geen gegevens waaruit de identiteit van de in het onderzoek betrokken personen ten nadele van wie het onderscheid is of wordt gemaakt kan worden afgeleid.